Bubble (2005)

Bubble“Another Steven Soderbergh Experience” luidt de tagline van Bubble (2005). Wat wordt daarmee bedoeld? Er klinkt haast verveling in door. Steven Soderbergh is productief, schiet gemiddeld bijna één film per jaar en produceert daarnaast talloze andere, maar echt vervelend vind ik dat niet. Ik ben geen fan van Soderbergh, laat mij dat eerst duidelijk maken. Sex, lies, and videotape werd gered door James Spader, Out Of Sight is alleen maar mooie plaatjes, Traffic hield mijn aandacht niet vast en de remake van Solaris, tja, die zou ik waarschijnlijk best goed vinden, als ik het origineel van Tarkovsky niet zou kennen. Desondanks ben ik altijd nieuwsgierig naar Soderberghs films, omdat hij een van de weinige mainstream filmmakers is die zijn eigen oorspronkelijkheid de ruimte geeft om te laten bloeien, en tegelijkertijd nooit bang is om zijn publiek te blijven vermaken. Hij maakt ons op plezierige wijze deelgenoot van zijn masturbaties.

Bubble is het resultaat van zijn keuze om na de popcornfilm Ocean’s Twelve een film te maken die klein is, persoonlijk en provinciaals, op een minimaal budget, met een cast van louter amateurs. Toch weet de film de kracht te verzamelen om deze bescheiden schaal te ontstijgen, op een originele, pakkende en ontroerende manier. En dat in 73 minuten.

Vreemde vogel

Het is een vreemde vogel, deze film. Hij is de eerste in de geschiedenis die tegelijkertijd in première ging in de bioscoop, op dvd en op pay-per-view, tot groot ongenoegen van bioscoopeigenaren, die vrezen dat deze manier van distributie voor teruglopende bezoekersaantallen zal zorgen. De film werd daarom in een aantal Amerikaanse steden geboycot. Opmerkelijk is ook dat Soderbergh aan de cast, bestaande uit locals die nog nooit eerder geacteerd hebben, aanzienlijke acteerprestaties heeft weten te ontlokken. Wie beweert dat acteren in Hollywood sinds method acting naturalistischer en realistischer is geworden, wordt met deze film op andere gedachten gebracht.

Bubble draait om een wat oudere vrouw (Martha) en een jongeman (Kyle) die collega’s zijn aan de lopende band van een poppenfabriek. Aan het begin van de film wordt een nieuwe werknemer aangetrokken om een grote order te kunnen verwerken. Het blijkt een frisse jongedame te zijn, genaamd Rose, die onmiddellijk het hart steelt van Kyle. Martha reageert hierop nogal vijandig en argwanend, en krijgt het nog moeilijker als Rose aan Martha vraagt op haar kindje te passen, omdat ze met Kyle de kroeg in gaat. De volgende ochtend wordt Rose dood in haar huis gevonden.

Het is meteen duidelijk wat er gebeurd is, en een whodunit is Bubble dan ook beslist niet. Het is een studie van het vacuüm waarin eenvoudige Amerikaans arbeiders leven, het soort leegte dat niet drijft tot emotionele wanhoop, maar juist tot ontmenselijking en heimelijke, sluipende vervreemding van de gemeenschap. Het riekt wel enigszins naar neerbuigendheid dat een ‘intellectueel’ als Soderbergh aan de haal gaat met De Gewone Man — hij komt er niet helemaal mee weg, de lompe eenvoud van de acteurs slaat elke gescripte subtiliteit dood. Naar het einde van de film toe blijft er net te weinig over van de impact die hij ons aan het begin van de film leek te beloven om bevredigend te zijn.

De stem van Martha

En toch laat de film mij niet los. Er huist een kracht in Bubble die me blijft fascineren. Die vindt zijn basis in de spookachtige scènes waarin de productie van poppen wordt getoond (opgestapelde plastic ledematen), in het totale gebrek aan mysterie dat langzaam aan achterdocht wekt, maar vooral in de stem van Martha, gespeeld door Debbie Doebereiner.

Debbie is in het echte leven een filiaalmanager van Kentucky Fried Chicken. Zij heeft haar hele leven het leven geleefd dat zij speelt in Bubble. Eigenlijk willen we niets met haar te maken hebben. Zij is iemand die we vermijden, gehaast de weg wijzen als ze ons aanspreekt op straat, fluisterend kapittelen als ze voordringt in de rij. We praten niet met haar op verjaardagen, zelfs als ze naast ons komt zitten. En als ze doodgaat vinden we altijd een reden om niet naar de begrafenis te hoeven. Maar nu, nu zitten we in de bioscoop. We hebben ervoor betaald. We zijn kwetsbaar. En zij zit daar fast food weg te schrokken, en is wie zij is. Wij kijken naar haar, 73 minuten lang, langer dan we ooit bewust zijn geweest van haar aanwezigheid, langer dan we ooit zouden toelaten, ware het niet dat dit een film is, en wij de rol van toeschouwers moeten spelen. Dat is een ervaring die nog lang nadat ik de zaal verlaten heb resoneert. Ook nu, als ik mijn ogen sluit, hoor ik de stem van Martha, betekenisloos, willoos, dood.

Hard Candy (2005)

hard-candyDavid Slade is een amateur. Films maken is zijn grootste liefhebberij, zijn werk straalt enthousiasme uit en de wil om mooie dingen te maken. Zoals elke amateur struikelt hij zich een weg door goedbedoelde vergissingen, niet gehinderd door kennis van zaken of ervaring. Hij veroorlooft zich al het spektakel dat hij in zijn favoriete films heeft gezien, zonder zich druk te maken of het op zijn plaats is. Dat is dan ook iets wat je niet leert tijdens het knutselen op je zolderkamertje, dat leer je door de straat op te gaan en te falen. Nu hij dat achter de rug heeft, kan ik als ooggetuige van zijn fiasco zeggen: deze man heeft talent. Wat hem vooralsnog van artistiek succes weerhoudt is zijn onvermogen om gestoord te zijn.

Hard Candy (2005), het speelfilmdebuut van David Slade, is niet zonder waarde. Hij heeft verbluffend mooie opening credits. De sluw getimede close-ups waarmee de film is gelardeerd zijn stilistisch ijzersterk. En de acteerprestaties zijn van hoog niveau; de actrice die het meisje speelt, Ellen Page, zet een rol neer die haar carrière in een stroomversnelling zou kunnen brengen.

Maar het verhaal is plat, eenzijdig en onaf, en de manieren waarop getracht wordt de kijker in het verhaal te betrekken falen op miserabele wijze. Voor wie moet je kiezen als beide hoofdpersonen nare figuren zijn, zonder achtergrond die iets van hun daden kan verklaren, zonder morele kern, waardoor slechtheid teniet gedaan wordt met louterend geweld, zonder de ruimte te scheppen om achter het acteerspektakel te kijken naar een betekenis die buiten de film ligt, een waarde die verder gaat dan de muren van de bioscoop?

Halfbewuste verleidingstactieken

De thematiek is dwingend: een meisje van veertien en een man van tweeëndertig ontmoeten elkaar in een chatroom en besluiten elkaar in levende lijve te ontmoeten. Hij blijkt een succesvolle modefotograaf, zij een pubermeisje met een verontrustend wereldwijze blik. Hij lijkt het slachtoffer van haar halfbewuste verleidingstactieken, zij degene die een spelletje speelt waarvan ze de gevolgen niet begrijpt. Totdat zij hem beschuldigt van pedofilie en moord, en de film een modebewuste variant van Death And The Maiden blijkt te willen zijn. Zolang het drama zich op een psychologisch vlak afspeelt kun je hoogstens kritiek uiten op de iets te gelikte stijl, maar net als de film gepast grimmig begint te worden, word je geconfronteerd met een even lachwekkende als manipulatieve scène waarin het geile kreng de kloten van de fotograaf onder handen neemt met een scalpel.

David Slade en scenarist Brian Nelson hebben geen idee wat er omgaat in de hoofden van het meisje en de fotograaf. Dat willen ze ook niet. Slade heeft zich in verschillende interviews proberen te distantiëren van de exploitation-elementen die Hard Candy kenmerken. (“Nee hoor, ik kan me niet voorstellen dat iemand het meisje sexy vindt, want dat is immoreel. Nee hoor, die castratie is niet om te shockeren, hij is noodzakelijk voor het verhaal.”) Dat bewijst zijn oppervlakkigheid. Een regisseur die zichzelf serieus neemt kan maar beter de pathologische geestesgesteldheid waarvan hij wil verhalen in zichzelf opzoeken alvorens ze aan het publiek inzichtelijk te willen maken. Alle angst is immers angst voor jezelf.

Bedonderd

Hoe goed de acteurs ook om weten te gaan met de geconstrueerde dialogen die het script hen laat uitspreken, nooit heb je het gevoel dat je naar een echte wereld zit te kijken. Hoe dicht je ook op de huid van de hoofdrolspelers gedrukt wordt, nooit komt het in de buurt van een ervaring. Het script besteedt teveel aandacht aan voorspelbare plotontwikkelingen en te weinig aan menselijkheid. Emotionele impact ontbeert de film dan ook, behalve dan misschien in de vorm van afschuw, en het gevoel bedonderd te worden.

Slade, begonnen met het maken van videoclips, heeft enige verwantschap met het gezelschap van videoclipregisseurs waaruit talenten als Michel Gondry en Chris Cunningham zijn voortgekomen. Deze twee mannen bezitten een ongekende visuele inventiviteit. Hun video’s en speelfilms staan bol van stop-motion animatie, trompe l’oeil decors, video-effecten, mechanische robotica. David Slade heeft, net als Chris Cunningham, een videoclip voor Aphex Twin geregisseerd, getiteld Donkey Rhubarb. Hierin is de invloed van Cunningham duidelijk aanwijsbaar. En de verschillen zijn veelbetekend: waar Cunningham zich uit in idiosyncratische beelden die van een andere planeet lijken te komen, maar toch een psychologisch inzicht aan de dag leggen, blijft Slade op bekender terrein steken, echter zonder enig gevoel voor menselijkheid ten toon te spreiden.

Zijn oorsprong als videoclipregisseur is duidelijk te merken in Hard Candy: het visuele aspect is niet altijd even dienstbaar aan het verhaal. Dat staat Hard Candy in de weg. De film ontbeert het besef dat aan de basis ligt van zijn eigen thema: iets dat mooi lijkt in het isolement van de fantasie kan een monster blijken als je het in het daglicht sleept.

United 93 (2006)

United93Ik werkte op de cd-afdeling van een warenhuis. Er was weinig te doen, ik doodde mijn tijd door tv te kijken. Er stonden twee grote televisies waarop doorlopend nieuwe dvd’s getoond werden, of muziekkanalen zoals MTV, om de klanten een koopimpuls te geven. Ik zapte langs een aantal zenders en hield stil bij CNN, waar ik een trailer van een actiefilm zag over een terroristische aanslag op hartje New York. Een vliegtuig had zich in een van de torens van het World Trade Center geboord, en net op het ogenblik dat ik erin viel kwam een tweede vliegtuig aangevlogen, terwijl een donkere voice-over de gebeurtenissen beschreef. Mooie special effects, dacht ik, die film wil ik best zien. Toen pas zag ik dat er “Breaking news” onderin het televisiescherm stond.

Realisme in film is een heikel punt. Ik heb de nieuwsfeiten bestudeerd als ieder ander, de beelden van het brandende WTC, mensen die uit de ramen sprongen, muren van stof schrijdend door de straten van Manhattan, ooggetuigen besmeurd met bloed en vuil, bezorgde politici die oorlogskreten stamelden, de fijnmazige, ondoorgrondelijke netwerken waarlangs informatie doorsijpelde naar de straat, naar de media, naar mijn mening. Maar als werkelijkheid werkt het niet. Ik kan er niets mee, ik kan nog steeds geen verband leggen tussen 9/11 en de rest van mijn leven, de aanbiedingen in de supermarkt, de regen die voor dit weekend voorspeld is, welke treinen vertraging zullen hebben. In een film wil ik het best geloven, maar met realisme heeft het niks te maken.

United 93 (2006) is een realistische film. De stijlelementen zijn tenminste aanwezig: chronologische opbouw, personages zonder uitzonderlijke kenmerken, ongepolijste cameravoering, dictie zonder nadruk, geen happy ending. De camera staat haast geen moment stil. Hij volgt de naamloze personages als een sluipschutter, terwijl zij het gewicht van het noodlot dragen dat wij op hen projecteren. Het besef dat deze mensen over anderhalf uur slachtoffers zijn geworden van een geopolitieke strijd maakt hen niet tot helden. Het maakt hen menselijker dan wijzelf.

De meetlat van de geschiedenis

Hoewel regisseur Paul Greengrass door deze stijlkeuze zijn best heeft gedaan zich zoveel mogelijk op de achtergrond te houden, zou ik niet willen beweren dat de film de gebeurtenissen slechts registreert. Het is juist haast het toppunt van manipulatie: een weergave bieden van een gebeurtenis waarvan wij de illusie koesteren getuige te zijn geweest, en die weergave bewust gieten in een stijl die in het collectief bewustzijn te boek staat als “realistisch” en “objectief”. Terwijl de feiten niet eens kloppen. Zo blijkt dat een deel van de cockpitgesprekken, die in de film door verkeersleiders worden opgevangen, niet werkelijk heeft plaatsgevonden. En de laatste twintig minuten van de film zijn zuiver speculatief. Dat is nu eenmaal het gevaar van realisme: men gaat de meetlat van de geschiedenis ernaast leggen. Maar gelukkig heeft Greengrass meer te bieden. Het punt dat hij maakt overstemt de salonpraat.

Ik vermoed dat de meeste rednecks liever een stel barbaarse, harige moslimterroristen hadden willen zien, die zich gedragen als Lex Luthor of Gollem. In plaats daarvan wordt het publiek geconfronteerd met een aantal knapen die doodsbang zijn, en niet zo goed begrijpen waar ze mee bezig zijn. “Zijn dit onze vijanden?” Ze zijn door Greengrass niet neergezet als figuren die de schuld kunnen dragen waarmee het Amerikaanse publiek ze decoreert. Ze zijn onderdelen van een hectisch, morbide spel waarvan de geritualiseerde regels al eeuwen geleden zijn vastgelegd, regels waarin niemand inzicht krijgt, en alleen enige waarde hebben als men zich laat meevoeren door religieuze schijnargumentatie. Om die stelling impliciet in te nemen vind ik een gedurfde keus. Dat verdient lof. Zijn politieke agenda is het duidelijkst waar te nemen in die speculatieve laatste scènes van de film, waarin zowel de Amerikaanse slachtoffers als de moslimterroristen massaal aan het bidden slaan, enkele minuten voordat het vliegtuig zich boort in de bodem van Pennsylvania. Shots van onze-vader-prevelende Christenen worden versneden met de tot Allah biddende kapers, zonder onderscheid te maken in de motivatie van de gebeden.

Wat echter minder opvalt, maar een grotere potentiële lading heeft, is een keuze die gemaakt is in de Engelse ondertiteling van het Arabisch dat de terroristen spreken. Hoewel in de laatste scènes van de film geen ondertitels meer worden getoond van de gesprekken tussen de terroristen, zijn in de eerste helft enkele dialogen vertaald naar het Engels. En in die Engelse ondertiteling is het woord Allah vertaald met God. Alsof er plotseling maar één is. Het is juist op zulke momenten waarop de regisseur van strikt realisme afwijkt, waarin hij betekenis aan de film verleent.

Zinvol geheel

De werkelijkheid heeft op zichzelf geen betekenis. Kunst kan heel soms betekenis aan de werkelijkheid geven, zodat wij er een zinvol geheel van kunnen maken.

Daarom is United 93 een belangrijke film. Tegen de humanistische blik op de ondraaglijke gebeurtenissen van 9/11 die United 93 ons geeft, steken films als Schindler’s List en Platoon af als exploitatieve, adolescente verstrooiing. Het is de keuze tussen een ijdele fascinatie voor geromantiseerde gruwel, of een empathische visie op het verdriet dat het onvermijdelijke gevolg is van de zwakte van de menselijke geest.