Zwartboek (2006)

ZwartboekFilms maken is maar ten dele een creatieve bezigheid. In Hollywood wordt de bedrijfstak veelzeggend aangeduid met the industry, want film draait om multinationals, vijandige overnames, miljoenendeals, karaktermoord en nepotisme, veel meer dan om kwaliteit. Ook de pers heeft een flinke vinger in de pap van the industry. Tenminste, in de Verenigde Staten, want Nederland is nooit gezegend geweest met een filmpers die de gemoederen weet te verhitten. Maar deze keer zou het wel eens anders kunnen uitpakken, gokte ik.

Toen Zwartboek (2006) op 1 september 2006 in première ging op het filmfestival van Venetië was ik buitengewoon benieuwd naar de reacties van de pers, de Nederlandse in het bijzonder. Paul Verhoeven is our man in Hollywood, per slot van rekening. De eerste recensies die ik las waren Amerikaanse, op de websites van Variety en The Hollywood Reporter, en die waren lovend. Maar de Hollandse pers leek mij moeilijker te behagen, gezien de nogal zure sfeer die bij tijd en wijle in de Nederlandse filmwereld heerst als de naam Verhoeven valt.

Eenentwintig jaar geleden vertrok Paul Verhoeven naar Hollywood. Hij was het zat om telkens als hij een film gefinancierd wilde krijgen diep door de knieën te gaan voor het toenmalige Produktiefonds voor Nederlandse Films. Daar zwaaide Jan Blokker de scepter, en Jan vond Pauls films “hard, onpoëtisch, gespeend van ook maar de geringste zeggingskracht.”

“Nodeloos gedoe”

Aan Verhoevens vertrek ging een lange geschiedenis vooraf. Doorlopend had het Produktiefonds tegen Verhoevens vermeende platheid geprotesteerd, en telkens weer had Verhoeven geweigerd zich te prostitueren. De vete bereikte een smakelijk hoogtepunt tijdens de productie van Spetters. Het fonds, toen nog onder leiding van Anton Koolhaas, verwierp het ingediende script op nogal emotioneel klinkende gronden: “het hele scenario getuigt van een vervalsing” en “het is alles nodeloos gedoe”. Joop van den Ende, producent van Spetters, strooide tijdens de verhitte subsidiebespreking met godverdommes, en sloeg tot Koolhaas’ grote schrik keihard met zijn vuist op tafel, maar het mocht niet baten: scriptrevisie was de enige manier om kans te maken op financiële ondersteuning van het fonds.

Verhoeven en scriptschrijver Gerard Soeteman leverden enkele weken later een gloednieuw, speciaal voor dit doel gefabriceerd script in, sterk gekuist en sociaal acceptabel. Maar toen de buit eenmaal binnen was gingen zij stiekem lekker toch het échte script filmen, inclusief een homoseksuele verkrachting en een shot van een stijve lul. (Verhoeven in Andere Tijden, VPRO 2002: “Aangezien in oorlog en liefde alles is geoorloofd, met name terrorisme en guerillatactieken, zoals de Russen in de Tweede Wereldoorlog danig hebben bewezen, vind ik het in dit geval volledig gerechtvaardigd om deze mensen met welke middelen dan ook te bestrijden — natuurlijk. Niet met de middelen die ze verwachten dat je gebruikt, maar met de middelen die ze niet verwachten. Want je moet ze onderuit halen, natuurlijk, zeker dat schandelijk stel dat daar zat.”)

Bijtende kritiek

In Hollywood kon Verhoeven tenminste het geld bij elkaar krijgen om behoorlijke films te maken, met grote sterren en professionele special effects. Toegegeven, hij kreeg in eerste instantie slechts aanbiedingen om sciencefiction-films te doen, terwijl hij veel liever historische verhalen wilde vertellen, maar hij was tenminste niet werkeloos, en hij kreeg veel waardering. Hij maakte Robocop en Total Recall, kleine klassiekers. Met Basic Instinct leek hij zich blijvend genesteld te hebben in de mainstream, en schiep in het voorbijgaan een carrière voor Sharon Stone. Na de gruwelijke flop Showgirls regisseerde hij het briljante Starship Troopers. Genadeloos, gewelddadig, cynisch en hilarisch. Bijtende kritiek op de Amerikaanse politiek vermomd als scifi blockbuster. De film was onder normale omstandigheden nooit gemaakt, ware het niet dat in de productieperiode de top van Columbia TriStar op zijn gat lag en er in de praktijk geen bedrijfsleiding was. Men lette even niet op, en Verhoeven sloeg zijn slag.

De Nederlandse pers bleef kritisch. Verhoeven wordt in de Verenigde Staten in de subtop van regisseurs geplaatst, zo niet in de top. Maar wij nuchtere Nederlanders willen hem toetsen aan de spruitjesnorm. Dus bestaan de Amerikaanse films van Verhoeven nog altijd uit niet veel meer dan onverantwoord geweld, gratuite seks en botte grappen. En zijn beste films zijn en blijven Soldaat van Oranje en Turks Fruit, nietwaar?

Inmiddels had Verhoeven na Hollow Man wel weer genoeg gehad van de artistieke beperkingen van Hollywood, en begon plannen te maken om terug te keren naar Europa. Na verschillende gestaakte projecten, zoals een film over de schipbreuk van de Batavia en een verfilming van een Russische detectiveroman, bleek het script van Zwartboek het uiteindelijk te schoppen tot eindproduct, een script waar hij samen met Gerard Soeteman al twee decennia aan werkte. Mijn nieuwsgierigheid was grenzeloos.

De eerste Nederlandse recensie die ik las, in een nette ochtendkrant, was al meteen raak. De recensent liet geen spaan heel van de film, hij vond hem gekunsteld, hij zag een gebrek aan bespiegeling. Ik dacht: jammer, heeft Verhoeven weer een uitglijder gemaakt?

Diezelfde avond zag ik Zwartboek met eigen ogen. Ik kwam kirrend van plezier de zaal uit. Die ouwe rotzak Verhoeven had het hem geflikt. Zwartboek is een geweldige film, een eclatant succes. De zure toon van de recensent was ineens onbegrijpelijk. Was het soms een auditie geweest voor de rol van Jan Blokkers kleinzoon? Ik sloeg hier en daar wat kranten en tijdschriften open. Andere recensies durfden hier en daar toch ook schoorvoetend de kwaliteiten van de film te prijzen, maar het merendeel had een negatief eindoordeel.

“Vieze oude mannen”

Verhoeven nam enkele weken later op het Nederlands Film Festival desondanks een drietal Gouden Kalveren mee naar huis. Gelukkig, dacht ik, de soep wordt uiteindelijk nooit zo heet gegeten. Bijna begon de herinnering aan de negatieve ontvangst alweer te slijten. Maar toen vernam ik dat Alex van Warmerdam, lieveling van de Nederlandse culturele elite, zich de dag ervoor op het festival had verwaardigd publiekelijk uit te roepen dat Zwartboek een “kutfilm” was, gemaakt door “twee vieze oude mannen”.

Het is ook niet makkelijk, natuurlijk. Het is alsof je ex-vriendinnetje, die jou vele jaren geleden zomaar verlaten heeft voor een mysterieuze buitenlander — toegegeven, er waren wat strubbelingen, maar we hadden het toch best goed samen? — ineens opduikt op een feestje waar jij toevallig ook bent. Zij is er met de jaren alleen maar mooier op geworden, is immens populair, stinkend rijk, ze straalt van geluk en is omringd door de happy few. En jij woont nog steeds bij je ouders op een tochtig zolderkamertje, waar je je elke avond dwangmatig afrukt bij een versleten lingeriecatalogus. Het is niet makkelijk.

Genoeg polemiek. Laten we het over de film hebben.

De ambities zijn groot: een film maken die tegelijkertijd een blockbuster is en een persoonlijk drama. Aansluiting vinden bij een internationaal publiek met een Nederlands en Duits sprekende cast. De opwinding van een ouderwetse oorlogsfilm oproepen, en tegelijkertijd de motivatie van verzetshelden ter discussie stellen.

De handtekening die we kennen van de Amerikaanse films van Verhoeven is overal merkbaar. Zwartboek is niet zo zeer een verlengstuk van Soldaat van Oranje als wel van Starship Troopers. De plot zet vraagtekens bij de sociale normen waarop wij denken te kunnen vertrouwen in tijden van oorlog. Waarheen kun je nog vluchten, als zelfs de verzetshelden onbetrouwbaar zijn?

En dat zijn ze. Prettige karakters zijn schaars in het universum van Verhoeven. Alleen Carice van Houten — ravissant — als de joodse zangeres Rachel is zuiver. Wij volgen haar terwijl ze haar waardigheid probeert te behouden in een stortvloed van uiterst complexe, maar loepzuiver vertelde intriges. Haar onderduikadres wordt gebombardeerd, waardoor Rachel gedwongen wordt te vluchten. De geplande overtocht van de Biesbosch is echter aan de Duitsers verraden, en Rachel ontkomt ternauwernood aan een regen van kogels. Zij sluit zich aan bij het verzet, en weet door zich Ellis te noemen en haar hoofd- en schaamhaar blond te verven te infiltreren in het kantoor van een Duitse SD-officier. Dat is nog maar het begin, om je lekker te maken.

Geen moment op adem

De film is zo rijk geschakeerd, bevat zoveel wendingen, dat de tweeëneenhalf uur voorbij zijn voor je het weet. Verhoeven laat je geen moment op adem komen. Het geweld komt onaangekondigd de film binnenstormen. Montage en production design zijn schitterend. De dialogen zijn bits, direct, brutaal. Maar het is vooral de ondertoon van seksualiteit die de film op scherp stelt.

Tijdens de scène waarin Rachel haar schaamhaar verft — wat Verhoeven uitgebreid in beeld brengt — denken wij misschien: wat voor zin heeft dat eigenlijk, je schaamhaar verven? Ze had haar hoofdhaar ook donkerblond kunnen verven, dan zou haar donkere schaamhaar helemaal niet opvallen.

Maar deze scène heeft een andere lading als wij hem bekijken in het licht van wat er later in de film gebeurt. Zij wordt verliefd op de SD-officier, en hij op haar. Ze stort zich in een dubieuze romance, en ruilt haar joodse identiteit in voor een arische. Door de expliciete weergave van haar transformatie weten wij het al: dit komt haar duur te staan. Net zoals in Basic Instinct begint het werkelijke gevaar vanaf het moment dat we een kut zien.

Verhoeven houdt van het grote gebaar. Hij is niet de fijnbesnaarde “auteur” die ons met her en der een lichtvoetig hintje probeert te verleiden zijn standpunt te begrijpen. Verhoeven zegt: dit is het, hier, alsjeblieft, ik werp het in je schoot. Dat maakt hem als regisseur minder geschikt voor subtiele, kleinschalige dramatiek. Dat weet hij ook. De emoties in Zwartboek zijn daarom grootschalig, maar uiterst nauwkeurig.

Het klinkt als een cliché, een film maken over de vage scheidslijn tussen goed en kwaad in tijden van oorlog. Maar dat is het niet. Ik denk aan Jarhead, een film die alle oorlogsclichés nog eens dunnetjes overdoet, en uiteindelijk een mythisch beeld schept van een moderne oorlogsheld die gefrustreerd raakt — niet door zijn eigen geweten, welnee, door zijn concullega’s van een andere divisie, die de Irakezen bombarderen die hij juist net lekker zélf had willen neerknallen. Ik denk aan The Wind That Shakes The Barley, een film die propageert dat morele discussies in de eigen gelederen de vijand slechts in de kaart spelen, een film die er genoegen in schept de vijand af te schilderen als onmenselijk, gezichtsloos en barbaars. Eenzijdige films die oorlogsmachinaties omarmen worden dus nog steeds gemaakt. Bovendien, wanneer is zo’n thema ooit op een behoorlijke manier in een Nederlandse film aangegrepen? Nederlanders hebben verontrustend veel ervaring in het doodzwijgen van gebeurtenissen waarin ons land een onaangename rol speelt, zoals de slavenhandel, Nederlands-Indië, voormalig Joegoslavië en de voortrekkersrol die de regering momenteel speelt in het voeden van anti-islamitische sentimenten in de internationale gemeenschap. Daarbij vergeleken is het antisemitisme binnen het Nederlands verzet dat Zwartboek ons toont bijna een kleinigheid te noemen. Maar bepaald geen kleinigheid die vergeten mag worden, me dunkt.

Gelijk in de eerste scène zien we Rachel in 1956, en weten we dat zij de oorlog zal overleven — ik vond dat een rare keus. Het nam een potentieel suspense-element weg. Maar door de laatste scène, door het laatste shot van de film, ook in 1956, werd mij duidelijk waarom hiervoor was gekozen, en werd mijn kritiek gesmoord. Dat laatste shot is onnadrukkelijk en nonchalant, maar indrukwekkend als men het cynisme ervan beseft. Vrede bestaat niet, men kan hoogstens vechten voor een staakt-het-vuren. En er zal altijd geweld nodig zijn om onze manier van leven in stand te houden. Het houdt nooit op.

Ongeëvenaard

Ondanks die zware morele agenda werkt Zwartboek uitstekend als actiefilm. Verhoeven zal nooit vergeten om ons te vermaken. Het is zijn best gemonteerde film tot nu toe, en de actiescènes zijn met veel bravoure in beeld gebracht. Zijn ervaring met het organiseren van gecompliceerde CGI-shots in films als Starship Troopers en Hollow Man verleent Zwartboek production value die ongeëvenaard is in de Nederlandse film.

De vergelijking met The Pianist van Roman Polanski lijkt voor de hand te liggen. Beide films spelen in de Tweede Wereldoorlog, hebben een klassieke uitstraling, behandelen het schemergebied tussen goed en kwaad, voeren dubieuze verzetsfiguren op en eindigen met een pyrrusoverwinning. Beide regisseurs zijn min of meer ballingen, maken voor het eerst sinds decennia een film in het land waar ze hun wortels hebben, en vertellen een verhaal waarvan ze ten dele zelf getuige zijn geweest. Maar The Pianist lijkt zo op het eerste gezicht bewuster te zijn van zijn eigen integriteit en zijn plaats in de filmgeschiedenis. Zwartboek lijkt meer te willen behagen dan een onderdeel te willen worden van enig soort van officiële geschiedschrijving. Dat zou ik niet willen zien als het gevolg van een bewuste keuze, eerder van een aangeboren mentaliteitsverschil. Polanski is erop gebrand het definitieve verhaal te vertellen, uitsluitsel te geven over de thema’s die hij aangrijpt. Zo lijkt Rosemary’s Baby de ultieme demonische horrorfilm te willen zijn, Chinatown de laatste klassieke film noir, en The Pianist het enige juiste antwoord op Schindler’s List.

Verhoeven maakt zulke overwegingen niet, hij heeft een hedonistischer, cynischer kijk op zijn vak en op de waarde van kunst in het algemeen. Hij gelooft niet dat hij de wereld beter kan maken met zijn werk. Dat betekent niet dat hij daarmee de verantwoordelijkheid voor zijn werk van zich afschuift en zijn toevlucht neemt tot escapisme. Ondanks zijn cynisme staan zijn films bol van ethisch getinte thematiek — en juist dat boeit mij mateloos. Verhoeven is iemand die het ene moment een klein jongetje lijkt dat heel hard “poep!” roept in de klas om de juf te shockeren, en het andere moment een wijze oude man die de wereld en het leven aan ons uitlegt. Als we die gedachtegang volgen gaat Verhoeven ineens op Martin Scorsese lijken (ik denk ook aan de christelijke symboliek waar beide regisseurs dol op zijn) en klinkt de vergelijking met Polanski plotseling vergezocht.

Mikpunt van spot

Helaas is Verhoevens beste werk een gemakkelijk mikpunt van spot. De thematische elementen die zijn films kenmerken schurken zich zo dicht tegen farce en sensationalisme, dat een luie criticus niet veel moeite hoeft te doen om deze elementen te beschimpen. Het is daarom betreurenswaardig dat vooral de Nederlandse pers zich met zoveel gretigheid stort op het afkatten van Verhoeven. Wij begrijpen immers zijn culturele achtergrond en kennen zijn vroege werk als geen ander; wij hebben daardoor de mogelijkheid om zijn werk grondiger te analyseren dan tot op heden gepoogd is. Maar wij laten dit na omdat een aantal reactionaire figuren ons decennia geleden probeerden aan te praten dat Paul Verhoeven een nare man is. Verhoeven deelt zijn culturele achtergrond met zijn grootste vijanden; zijn persoonlijk leven wordt beheerst door dezelfde bittere ironie die ook de personages in zijn films achtervolgt.

Maar Zwartboek kan het niet schaden, die is af, Verhoeven kan zich weer met zijn volgende films bezighouden, ons hopelijk opnieuw verrassen. En laat ik het ten slotte nog eenmaal zeggen, zodat men mij er later gemakkelijk op af kan rekenen: Zwartboek is een geweldige film. Misschien zal het de aanleiding vormen voor een nadere beschouwing van het oeuvre van de grootste filmmaker die Nederland tot nu toe heeft voortgebracht. Maar ik ben bang dat dat een oefening in geduld gaat worden.

13 (Tzameti) (2005)

13-tzametiDe eerste keer dat ik Hitchcocks Psycho zag was ik al een redelijk ervaren filmkijker. Omdat ik vanaf mijn vroege jeugd op de hoogte was van de legendarische reputatie van de film, had ik tot het moment dat ik hem zag alle recensies, interviews, analyses en documentaires vermeden waarin iets van de plot van Psycho uit de doeken werd gedaan. Als ik een boek over film las waarin een hoofdstuk aan Psycho gewijd was, dan sloeg ik het hoofdstuk over. Als ik op televisie een documentaire over Hitchcock keek, dan zapte ik weg zodra Psycho aan bod kwam. Ik was vastbesloten verrast te worden.

Ik was er daarom totaal niet op voorbereid dat Marion (Janet Leigh) zo vroeg in de film dood zou gaan. Dat was mijn pay off, het moment waarop ik mijzelf feliciteerde met mijn keuze om Psycho onbevangen te zien. Het is een van mijn meest gekoesterde filmherinneringen. Hitchcock zat naast me op de bank, en we hielden smoorverliefd elkaars handje vast.

Had Géla Babluani, de 26-jarige debuterende regisseur van 13 (Tzameti), die verrassing maar uit Psycho gejat. In plaats daarvan heeft hij gejat uit Fight ClubThe Deer Hunter en het vroege werk van Polanski. In plaats daarvan laat hij ons tijd en aandacht investeren in de ongearticuleerde, slome en opportunistische dakdekker Sébastien, die pas helemaal aan het einde van de film, als onze investering al ettelijke scènes daarvoor in rook is opgegaan uiteindelijk toch nog wordt doodgeschoten. Alsof het ons tegen die tijd nog iets interesseert.

(Schrok je, omdat ik zomaar het einde van de film verraad? Wind je niet op, de film is niet de moeite waard. En bovendien, als je zo graag verrast had willen worden, dan moet je ook geen recensies lezen. Het vermijden van Psychospoilers is mij toch ook gelukt?)

Mysterieuze dode man

De film begint met de langdradige introductie van de dakdekker. Per ongeluk wordt hij getuige van een vreemd sterfgeval, dat iets met drugs en misdaad te maken schijnt te hebben en met de mogelijkheid om heel snel heel veel geld te verdienen. De mysterieuze dode man zou op reis zijn gegaan, zo wordt duidelijk, als hij niet aan zijn einde was gekomen. Sébastien steelt het treinkaartje van de man, besluit diens identiteit aan te nemen en stapt op de trein. De motivatie hiervan blijft vaag.

De plaats van bestemming blijkt een luguber landhuis te zijn. Hier wordt de film interessant. In het huis hebben zich enkele sinistere heren verzameld, die grote sommen geld verwedden op een vreemde vorm van Russisch roulette. Zij laten een aantal mannen in een kring staan, de loop van een pistool op het hoofd van de man vóór hen zetten, en de trekker overhalen. Wie blijft leven gaat door naar de volgende ronde. De hoofdpersoon van de film blijkt de identiteit van een deelnemer te hebben aangenomen. Hij kan nu niet meer terug. Hij moet meedoen aan het spel.

Deus ex machina

De scènes waarin het spel gespeeld wordt zijn spannend, grappig, macaber. De regisseur maakt alleen één fatale vergissing: hij laat de dakdekker ronde na ronde winnen. Het was een zoveel betere film geweest als de jongen in de eerste ronde gewoon zomaar — paf — was doodgeschoten. Hitchcock begreep dat de toeschouwer na zo’n gebeurtenis denkt: dit is zo immens radicaal, nu kan álles gebeuren. Babluani heeft dat inzicht niet. Hij laat de jongen het hele toernooi winnen, met de buit op weg naar huis gaan, en dan toch nog sterven door middel van een deus ex machina.

De film is op een minimaal budget geschoten, in zwart-wit. Laat ik ermee volstaan te zeggen dat 13 (Tzameti) het onweerlegbare bewijs levert dat een film gedraaid in zwart-wit en chiaroscuro belicht niet vanzelfsprekend stilistisch interessant is.

Ik lees hier en daar dat een Amerikaanse remake overwogen wordt. Wat een kans. Mijn verlanglijstje:

  1. Sébastien wordt gespeeld door Gael García Bernal.
  2. De eerste akte duurt niet langer dan een kwartier. Daarin wordt echter wel duidelijk gemaakt wat voor persoon Sébastien is. We gaan om hem geven. We gaan iets van hem verwachten.
  3. De wedstrijdscènes worden zo geschoten en gemonteerd dat we tenminste weten wat er gebeurt. Het moet transparant zijn wie sterft en wie blijft leven. De kijker gaat dan weddenschapjes afsluiten met zichzelf.
  4. De psychotische wedstrijdleider, het interessantste karakter in de oorspronkelijke film, wordt gespeeld door Philip Seymour Hoffman.
  5. Sébastien is de eerste die doodgaat. Vanaf dat ogenblik volgen we de man die geld op hem heeft ingezet. Wat is zijn relatie tot de mysterieuze man die aan het begin van de film sterft? Wie zit achter het spel? Waar komt al dat geld vandaan? En is Sébastien eigenlijk wel wie wij denken? Een duistere zoektocht begint.
  6. De film wordt geschoten in kleur. Glashelder, verzadigd en ruimtelijk. De critici zullen het waarderen als je juist daarmee een claustrofobische sfeer weet op te roepen.
  7. Aan het einde van de film blijven we met veel vragen zitten. De laatste scène, in de woestijn van Syrië, laat ons achter met de emotioneel verscheurde vriendin van Sébastien, een lege veldfles en een verkreukeld briefje met het cijfer dertien erop.
  8. Ik word uitgebreid bedankt in de aftiteling.

Miami Vice (2006)

miami-viceJaren geleden was The Keep op televisie, een horrorfilm van Michael Mann uit 1983. Ik ging ervoor zitten; ik had Manhunter niet lang daarvoor gezien en was erg onder de indruk van de regisseur. Helaas, The Keep bleek een ongehoord slechte film te zijn. Het eerste deel van de film had nog een bepaalde overgestileerde charme, en de rollen van Ian McKellen als oude joodse man in een rolstoel en Gabriel Byrne als doortrapte Nazi hadden een hoog camp-gehalte. Maar na een minuut of twintig werd me duidelijk dat deze film niet in staat was zijn eigen ambities te dragen. Het verhaal had iets te maken met een occulte oerkracht, iets monsterlijks dat zich schuilhield in een citadel in de Karpaten, en een Messiasfiguur die het wezen kwam verslaan nadat het uit zijn eeuwenlange slaap was gewekt door de Nazi’s. Of zo. Ik weet het niet precies, want ik ben halverwege de film in slaap gevallen, en werd pas wakker door het lawaai van het mythische eindgevecht in de diepste krochten van de citadel, flitsend uitgelicht als ware het een nachtclub in Miami.

Cut to een nachtclub in Miami. Colin Farrell en Jamie Foxx schuiven gedecideerd en met stalen gezichten door de drommen, en ik weet niet wat er gebeurt of wat de bedoeling precies is, maar blijkbaar zitten ze achter boeven aan. Even later staan ze op het dak van de club — mijn god, wat ziet die lucht er mooi uit — en bespreken ingewikkelde dingen via een mobieltje. Waar ben ik eigenlijk? Wie zijn die mensen? Hoe ben ik hier verzeild geraakt?

Michael Manns eerste bioscoopfilm was Thief in 1981, met James Caan; daarop volgde The Keep. In 1986 kwam zijn doorbraak als filmregisseur met Manhunter. Daarna een rij louter successen: Last of the MohicansHeatThe InsiderAliCollateral. En nu Miami Vice (2006). Dat lijstje is belangrijk, omdat het zo kort is. Slechts negen speelfilms in 25 jaar. Dat maakt hem fris in de ogen van het publiek. Hij lijkt net te zijn begonnen. Terwijl hij drie jaar ouder is dan Spielberg de Cinematosaurus.

Geen sokken in je schoenen

Na de geflopte release van The Keep begon Michael Mann met de productie van de invloedrijkste televisieserie van de tachtiger jaren, Miami Vice. (Hij ontwikkelde in diezelfde jaren ook Crime Story, de beste tv-serie die ik ken, terecht legendarisch.) Miami Vice was hard, snel en propvol testosteron. Ik denk niet dat de afzonderlijke afleveringen werkelijk spannend waren. Ze waren wel eindeloos fascinerend, omdat we inzage kregen in een glamourwereld waar het cool was om de mouwen van je colbert op te rollen, en een toonbeeld van stijl om geen sokken in je schoenen te dragen. Een sprookje dus. Mann produceerde de serie; regisseren liet hij aan anderen over, onder wie, heel verrassend, de Nederlander Ate de Jong (Een Vlucht RegenwulpenBrandende Liefde).

Misschien was het slechts een kwestie van tijd dat ook Miami Vice het tot een speelfilm zou schoppen, zoals inmiddels zo veel oude televisieseries. Dat Michael Mann zelf de honneurs zou waarnemen was een prettig vooruitzicht. Nu het product gearriveerd is, moet ik lang en diep nadenken wat ik ervan vind.

Duivels gearticuleerd

De cinematografie is verbluffend. Ik was betoverd. Door slim gebruik te maken van de mogelijkheden van de digitale camera hebben director of photography Dion Beebe en editors William Goldenberg en Paul Rubell een visie neergezet die tegelijkertijd aards en glossy is. Neon is nog nooit zo gruizig geweest. Er zitten onscherpe close-ups in, kubistische uitsnedes, onwezenlijke jump cuts, spastische pans, die zo duivels gearticuleerd zijn, dat ik alles om mij heen vergat. Tenminste, totdat ik de bioscoop verliet.

Van een plot is nauwelijks te spreken. Het is een stapeltje misdaadcliché’s dat als een beduimeld pak kaarten geschud wordt door de verveeldste der croupiers. We weten allemaal hoe dit spelletje werkt, dus de regels worden niet meer uitgelegd. Investeren in karakterontwikkeling of persoonlijke achtergrond is er niet bij.

Dat was een minder groot probleem geweest als de film goed was gecast. Colin Farrell als Crockett is verschrikkelijk. Hij is leeg, onbenullig, uncool. Jamie Foxx als Tubbs is ietsje beter, maar alleen in vergelijking met zijn partner. Slechts Li Gong komt er goed vanaf als hautain gangsterliefje. Zij is de meest bedreigende figuur in Miami Vice. De gangsters zelf zijn van bordkarton.

Als mijn oordeel ietwat hard overkomt, dan is dat omdat ik hoge verwachtingen heb. Michael Mann heeft het verdiend dat wij zijn films goed bestuderen. Hij weet wat textuur is, gelaagdheid, vorm. Hij kan dialogen laten knetteren. Als ik Miami Vice als geïsoleerde film zou beoordelen, ontwaar ik slechts lege stijlfiguren, een humorloze machohouding en een regisseur die denkt serieus over te komen door plotlijnen te bedelven onder kunstgrepen. Dan lijkt Mann niet veel geleerd te hebben tussen The Keep en Miami Vice. Maar dat is niet eerlijk. Daarom bekijk ik deze film met meer empathie: als een sierlijk krabbeltje in de kantlijn van een van de belangrijkste carrières in de moderne filmkunst.

The Wind That Shakes The Barley (2006)

the_wind_that_shakesDoe je ogen dicht. Denk aan een film waar je warm van wordt, liefst een lichtvoetige romantische komedie. Je zou bijvoorbeeld kunnen denken aan Annie Hall van Woody Allen, of Amélie, voor mijn part Four Weddings and a Funeral. Beeld je in dat je naar die film zit te kijken. Stel je nu voor dat je op de achtergrond van elke interieurscène een televisie ziet staan, waarop oorlogsbeelden te zien zijn; en dat in elke openbare ruimte mensen te zien zijn die in de krant lezen over deze oorlog. Overal in de film wordt benadrukt dat elders een vreselijke strijd woedt. Kunnen wij ons hoofd dan nog houden bij de intieme verwikkelingen op de voorgrond? Is het persoonlijke drama waar de film eigenlijk over gaat dan nog aangrijpend genoeg? Als oorlog in een film figureert, krijgt alles een andere lading. We verwachten dat elk moment de oorlog de film zal komen binnenvallen, waarna intimiteit en nuance als eerst geslachtofferd zullen worden.

Om tegenwicht te bieden aan de ontwrichtende werking van oorlog in een film zullen de hoofdpersonen zich heroïsch moeten gaan gedragen. Ze dienen drie meter lang te zijn, indrukwekkende keuzes te maken die lange schaduwen werpen over het publiek. Al hun daden moeten impact hebben. Schreeuwen, oreren, ijzig zwijgen. Schoppen, rennen, bemodderd sterven. De vrouwen aan de zijlijn mogen gevoelens hebben, ter decoratie. Maar de mannen zijn van beton, en als ze al twijfelen, dan doen ze ook dat met gebalde vuisten. Gedragen ze zich als gewone mensen, dan zijn ze onze aandacht kwijt; dan zitten we alleen nog maar op het bloed en de vernietiging te wachten. Oorlogsfilms maken is een ondankbare taak.

The Wind That Shakes The Barley (2006) lijkt op het eerste gezicht een vruchtbare poging om het begin van een oorlog te bekijken vanuit het oogpunt van de onderdrukten. Regisseur Ken Loach geeft een weergave van de eerste fase van het Anglo-Ierse conflict en de opkomst van de IRA. Hij heeft zich kennelijk ten doel gesteld om een parallel te zoeken met de oorlog in Irak, en vond die in de manier waarop Amerikanen en hun bondgenoten huishouden in Irak, vergeleken met hoe vijfentachtig jaar eerder de Britten huishielden in Ierland. Oppervlakkig gezien laat de film zich uitleggen als een manier om door middel van een historisch verhaal een hedendaags probleem aan de kaak te stellen; als men verder kijkt wordt het echter duidelijk dat Loach vergelijkingen met Abu Ghraib en Guantánamo Bay gebruikt om onderhands zijn Iers-republikeinse politieke agenda voor het voetlicht te brengen. En dat is hem gelukt: de Fransen gunden hem dit jaar de Palme d’Or op het filmfestival van Cannes. Op basis van de film is dit onbegrijpelijk, die is niet bepaald briljant; als men echter de positie van de Fransen ten opzichte van de oorlog in Irak in ogenschouw neemt, wordt een en ander meteen veel duidelijker. De Franse culturele elite heeft in Cannes de film als anti-Amerikaanse propaganda omarmd. Loach interesseert dat niet, zolang hij op de persconferentie na de prijsuitreiking maar kan zeggen dat hij blij is dat de Ieren eindelijk erkenning krijgen voor de gruwelijkheden die zij hebben moeten verduren. De jury zag blijkbaar even over het hoofd dat de film ongebreidelde oorlogspropaganda is.

Black and tan

Het verhaal: County Cork, 1920. Twee Ierse broers, een intelligente jongeman die medicijnen wil studeren in Londen genaamd Damien, en een wat eenvoudiger figuur die de kiem van het gepolitiseerde Ierse verzet vertegenwoordigt genaamd Teddy, worden getuige van de wandaden van een Britse “Black and Tan”-eenheid. Dit schokt de studiebol zo, dat hij ineens een onverschrokken verzetsheld wordt, terwijl zijn voorheen strijdbare broer bla bla bla. Pas op, achter je, daar komen die vreselijke Britten weer, gestuurd door Darth Vader om de arme Hobbits een kopje kleiner te maken! Enzovoorts.

Om de transformatie van studiebol naar oorlogsheld kracht bij te zetten wordt Damien ertoe gedwongen een van zijn jeugdvrienden dood te schieten, omdat deze geklikt heeft aan de Britten. Damien doet dat in een netjes afgewogen, schoongesneden en vacuümverpakte scène, door Cillian Murphy gespeeld met precies genoeg innerlijke strijd om zijn keuze acceptabel te maken voor de kijker, zonder van de held een echt mens te maken. We kijken immers naar een oorlogsfilm.

Verwerpelijk

Een van de eerste verzetsdaden waarvan we getuige zijn is het overvallen van een vrachtwagen volgeladen met wapens. Deze prachtige scène is rauw en smerig. Als de jongens klaar zijn met hun gewelddaad schuifelen ze verdwaasd tussen de resten van de vrachtwagen en de lijken. Een atmosfeer van vertwijfeling, schuld en waanzin drukt zwaar op het landschap. Op dat ogenblik lijkt de toon van de film ineens pacifistisch. Die vergissing wordt onmiddellijk rechtgezet wanneer onze jongens thuiskomen. Zij zijn er getuige van hoe de Britse troepen een boerderij bewoond door louter vrouwen platbranden. De vertwijfeling uit de voorgaande scène wordt weggevaagd. Loach zegt hier zonder gêne: zie je nou, ons geweld is gerechtvaardigd, dat van de Britten niet. Hoe meer ik over deze film nadenk, hoe verwerpelijker hij wordt.

Het blijft intrigerende kost natuurlijk. Inmiddels is het Ierse conflict al zovele stadia verder, dat het begin ervan niet meer relevant lijkt. Maar er zijn belangrijke lessen te leren uit dit minder bekende tijdperk. Wij zouden kunnen bestuderen hoe gewapende bezetting leidt tot georganiseerd verzet. Wij zouden kunnen leren hoe dat verzet uitgroeit tot georganiseerd terrorisme. En hoe dat terrorisme zijns ondanks kan leiden tot een intelligente politieke discussie, en uiteindelijk tot een wapenstilstand. Maar zoveel inzicht gunt Loach zichzelf niet, want zoveel nuance is ondenkbaar binnen de regels van een oorlogsfilm.

Pirates of the Caribbean: Dead Man’s Chest (2006)

Keira KnightleyWill Ferrell is een aardige man, leuk met kinderen, onthoudt de verjaardag van al zijn vrienden, is nooit te beroerd om de hond uit te laten als het giet. En hij was vorig jaar de best betaalde filmacteur ter wereld. Dat gunnen we hem, hoewel we ons afvragen hoe hij daar mee wegkomt. (Hebben we zitten slapen? Ik ken zijn sketches uit Saturday Night Life, en vond Ferrell daarin geforceerd, middlebrow, behaagziek. Zijn films zeggen me niets. Ik ontbeer een zintuig om zijn retoriek te waarderen.)

Op nummer twee staat Johnny Depp. Dit jaar zal Depp vast aan de top staan, want Pirates of the Caribbean: Dead Man’s Chest (2006) is een enorme hit. De film scoorde het beste openingsweekend ooit, 20 miljoen dollar meer dan de vorige recordhouder, Spider-Man (met Tobey Maguire, net als Ferrell zo’n acteur die onder de radar tot een grootverdiener is uitgegroeid). Dat is het grote nieuws. In de kantlijn slechts staan in minuscule lettertjes de details vermeld, zoals dat Pirates Of The Caribbean II een prul van een film is, maar wie maalt daarom? Iedereen is rijk geworden!

De hele film lang miste ik Geoffrey Rush, die in deel 1 als Barbossa elke scène stal waarin hij ook maar een tiental seconden te zien was, maar die in deel 2 niet meer dan een cameo gegund is. De aanwezigheid van Rush maakt om het even welke film beter. Ik herinner mij zijn Sir Francis Walsingham, de opportunistische maar zorgzame kern waaromheen Cate Blanchett tolde in Elizabeth, een rol die naarmate de jaren verstrijken steeds meer gewicht krijgt, en uiteindelijk zelfs Blanchetts aanzienlijke prestatie overschaduwt.

Onderkaak

Gelukkig heb ik naar Keira Knightley kunnen kijken, met haar magisch misplaatste onderkaak. Het past allemaal net niet goed in elkaar, haar afgetrainde jongensbuik, meisjesachtige schouders en volwassen benen. Iemand komt erachter hoe je knipsels uit modebladen tot leven kan wekken; hij scheurt en plakt maar wat en iedereen vindt het mooi maar toch klopt er iets niet. Het is fascinerend te zien dat ze loopt en praat, dat alles het doet. Verbaast het als ik vertel dat ze dyslectisch is?

Ik heb weinig te vertellen over Orlando Bloom. Hij is op zijn best als hij zijn vijanden te zwaard bevecht op een vijfeneenhalf meter hoog waterrad dat naar een afgrond rolt. Dan is er tenminste geen plek voor close-ups.

Van Johnny Depp horen we meer dan ooit. Hij is tegenwoordig scheutig met interviews en persconferenties, waar hij onverwachts blijk geeft van inzicht in het imago dat hem aangepraat wordt door het publiek. Hij praat over zijn verleden, zijn leven als bad boy, toen hij nog volop drugs gebruikte, nee nee, nu drinkt hij zelfs geen sterke drank meer — om dit kracht bij te zetten bestelde hij onlangs tijdens een interview een glas whisky, om er slechts even aan te ruiken. Roken? Nog maar een paar sigaretten per dag. En hij heeft zijn aandeel in de Viper Room verkocht, de beruchtste nachtclub van L.A., waar voor de deur River Phoenix zijn laatste adem uitblies. Daarna volgt het verhaal hoe hij Vanessa Paradis ontmoette, en dat hij verliefd werd toen hij alleen haar rug zag. Vraagt men naar 21 Jump Street, de tv-serie waaraan hij zijn immense populariteit heeft te danken gehad, dan vertelt hij je dat het als een gevangenis was, dat het voelde als prostitutie, dat zijn zelfbeeld gecorrumpeerd werd door het beeld dat de media van hem hadden gecreëerd, een beeld dat het goed deed op posters in meisjeskamers.

Action figure

Zijn zelfbeeld, is dat niet waar we altijd mee geconfronteerd worden als we kijken naar Depp? Hij schijnt zelf de ironie niet te zien in de action figure van Captain Jack Sparrow die aankomende kerst onder heel wat Amerikaanse kerstbomen zal liggen. Hij is door zijn rol als Rock-’n’-Roll-piraat een oppervlakkig pop-idool voor de jeugd geworden, net zoals hij dat aan het begin van zijn loopbaan was. Alleen, nu heeft hij er zelf voor gekozen. Maar wat is het verschil? Waarom kan hij nu wel rustig slapen?

Ik houd van Johnny Depp. Hij laat mij fantaseren dat hij naar elke film iets verrassends meebrengt, een andere kijk, fascinerende maniertjes, een anarchistische houding. Als zijn naam genoemd wordt in de credits van een film, dan kriebelt er iets, nieuwsgierigheid, ondeugd. Hij is een acteur om te koesteren, een filmisch kompas.

Maar waarop is zijn imago gebaseerd? Op vier films die hij met Tim Burton heeft gemaakt: Edward ScissorhandsEd WoodSleepy HollowCharlie and the Chocolate Factory. En op een handvol films waarin hij op mildere wijze een vreemde snuiter speelt: Benny & JoonFear and Loathing in Las Vegas. Wij hebben het idee dat hij nooit normale personen speelt; dit is niet waar. Hij is normaal, conventioneel, soms middelmatig, in films als Donnie BrascoFinding NeverlandChocolatBlow. Toch ziet iedereen hem als de acteur die altijd freaks speelt. En hij is zo goed in het cultiveren van dit publieke imago, dat hij er inmiddels voor het gemak zijn zelfbeeld van heeft gemaakt. Daardoor kan hij zich de rol van Captain Jack Sparrow veroorloven, en is hij niet na een paar dagen van de set gejaagd door de producers. Hij heeft de wereld — en zichzelf — ervan overtuigd dat hij geleid wordt door een daemon. Ik vraag me af wat zijn kinderen van hem zulllen vinden als ze James Stewart gaan ontdekken, of Spencer Tracy, mannen die juist in hun eenvoud zoveel kracht konden leggen. Ze zullen papa een beetje stom vinden, ben ik bang. Maar als ze op hun vader lijken, kunnen ze dat vast heel goed verbergen.

Soms komt hij thuis van de set, en zit hij nog helemaal in zijn rol. Dan worden zijn kinderen boos, en vragen hem om op te houden met dat gekke stemmetje. Soms duurt dit dagen.

Marlon Brando

Er is verwantschap met Marlon Brando. Op de set van Don Juan de Marco raakten ze bevriend, en niet lang daarna kocht Depp een eiland, zoals Brando dat een aantal jaren eerder ook had gedaan. Ze vonden het heerlijk om urenlang samen te zijn zonder een woord tegen elkaar te zeggen, zo vertelt Depp graag. Hun band is begrijpelijk: twee mannen in oorlog met hun zelfbeeld. Enorm getalenteerd, overtuigd zelfdestructief. Het grote verschil is dat Depp zo gewoon lijkt als hij geen rol speelt, terwijl Brando dan alleen maar verknipter leek.

De laatste dag op de set van Edward Scissorhands keek Johnny in de spiegel terwijl hij geschminkt werd voor de laatste scène, en wist dat het de laatste keer was dat hij Edward in zich zou voelen. Dat maakte hem vreselijk verdrietig.

Er komen na Dead Man’s Chest nog minstens twee sequels, zo is inmiddels duidelijk. De derde film is al opgenomen, die komt in het voorjaar van 2007 uit. Depp staat nu al te springen om een rol in het vierde deel, want hij zegt verslaafd te zijn aan zijn dreads en oogpotlood, aan zijn meest uitbundige masker. In de vierde film zal Keira Knightley geen opwachting meer maken; voor haar is de grap er af, ze heeft nee gezegd tegen de miljoenen. Ik acht de kans dat Orlando Bloom nogmaals voor zijn rol tekent ook bijzonder klein. Johnny Depp zal er dus alleen voor staan, onnoemelijk rijk, met een nieuwe cast van frisse jongelui, die zich zonder een spoortje van innerlijk conflict in het avontuur zullen storten. Johnny Depp zal ouder lijken dan ooit.