César et Rosalie (1972)

Cesar et RosalieEen typisch Frans sterrenvehikel voor volwassenen, zo moet de film zijn overgekomen op het toenmalige publiek van César et Rosalie (1972). Typisch Frans, want er wordt wijn bij het ontbijt gedronken en de helft van de personages is kunstenaar. Een sterrenvehikel, want dat waren Yves Montand en Romy Schneider in die tijd. En voor volwassenen, want de handelingen van César en Rosalie zijn ondoorgrondelijk, de zwijgzame blikken lang en het einde open.

Ik zou het liefst alleen maar schrijven over Romy’s ogen. Toen ze jong was, in de Sissi-films, waren haar ogen al beeldschoon, maar er was iets gekunstelds, iets al te zoets in haar gehele voorkomen. Misschien was ze te benaderbaar. Alsof ze geen andere regie-aanwijzing kreeg dan: “Wees mooi,” waarop de onervaren actrice telkens maar haar ogen opensperde en beschaafd glimlachte, zoals dat hoort als je filmster bent. Pas toen ze ouder werd, begon ze de kracht van haar eigen vreemde schoonheid te begrijpen, het spel van aantrekken en afstoten dat ze ermee kon spelen. Het wijd open kindergezicht maakte plaats voor een geloken blik vol broeierige sensualiteit. Ze durfde te ontspannen, en vanaf midden jaren zestig heeft niemand haar pupillen nog in hun geheel gezien. Altijd die halvemaantjes, soms ondeugend, soms somber – het vermoeden van een rijk innerlijk leven.

Romy Schneider is in 1982 gestorven, naar alle waarschijnlijkheid door het nemen van een overdosis drank en pillen, een jaar na de dood van haar zoon. Als je dat weet, is het moeilijk ongestoord van haar oogopslag te genieten. Al haar rollen lijken besmet te zijn met de voorafschaduwing van een tragedie. Haar ogen voorspellen de toekomst. Ook haar rol als Rosalie in César et Rosalie heeft dat effect. Je bent geneigd meer emoties en inzicht aan Rosalie toe te schrijven dan eigenlijk blijkt uit de keuzes die het personage maakt. Het script is minder slim dan Romy’s blik.

Van de ene man naar de andere

Rosalie is getrouwd met César (Yves Montand), een simpele, rijke schroothandelaar, die haar een goed maar bezadigd leven geeft. De striptekenaar David (Sami Frey), met wie ze ooit een heftige relatie had, komt ineens weer in haar leven. Ze wordt opnieuw door hem verleid, maar ze durft de zekerheid die César haar biedt niet zomaar weg te gooien. Ze gaat van de ene man naar de andere, en weer terug, meerdere keren, totdat de levens van César en David zo met elkaar vervlochten zijn, dat hun band sterker wordt dan haar relatie met elk van hen.

Het is een standaard relatiedrama. Voor het verhaal hoef je de film niet te zien. Wel voor het fantastische spel van de drie acteurs, een kleine rol van een jonge Isabelle Huppert, en het tijdsbeeld dat, ten dele onbewust, door de regisseur is vastgelegd. Het is vermakelijk ironisch dat een film over een vrijgevochten vrouw meerdere scènes bevat waarin ze slaafs opspringt om de mannelijke personages te voorzien van koffie en drankjes. Ook het gebruik van underground seventies-strips als rekwisieten stemde me vrolijk. De acteurs smijten achteloos met boekjes die nu voor honderden euro’s bij antiquariaten in de vitrine liggen.

Niet uit de verf

Maar het script heeft teveel problemen. De keuzes van Rosalie zijn te ondoordacht. Davids karakter komt niet uit de verf. De gewelddadige uitbarstingen van César zijn niet heftig genoeg en worden bovendien door zijn omgeving telkens met de mantel der liefde bedekt.

En dan is er ook dat open einde nog, dat eigenlijk geen open einde is. Een goed open einde bouwt op het laatst de spanning op, laat iets te raden over, geeft je te denken. Het einde van César et Rosalie doet het omgekeerde: het ontkracht de opgebouwde spanning van de driehoeksverhouding, maakt alle voorgaande keuzes van Rosalie belachelijk en heeft een onbedoeld homo-erotische ondertoon. Daar komt nog bij dat de film eindigt met een nietszeggend, vreemd getimed freeze-frame van het gezicht van Rosalie. Alsof we naar een parodie van een jarenzeventigfilm hebben gekeken.

Dus als het de bedoeling van regisseur Claude Sautet was een ‘volwassen’ film te maken, dan is hij daarin niet geslaagd. Daarvoor is het verhaal te dunnetjes, te weinig doordacht. Maar dat geeft niet. Want het verhaal dat je leest in de ogen van een groot actrice is vaak spannender dan de dingen die ze doet omdat het script daar nou eenmaal om vraagt.

Eerder verschenen op Filmorama.nl

Friss Levegö (2006)

Friss LevegoZou Friss Levegö (‘frisse lucht’, 2006), het speelfilmdebuut van Ágnes Kocsis, een typisch Hongaarse film zijn? Misschien wel. De personages zijn arm, maar niet straatarm. De stad ziet er ex-communistisch, maar niet eens zo heel bedrukkend uit. En het verhaal gaat over een meisje dat droomt van een vlucht naar het westen, maar de grote sprong niet aandurft. De film bevestigt alle vermoedens die je hebt over Hongarije, en is heel precies gekalibreerd op de zintuigen van een westers filmhuispubliek. Dat is knap, maar ook een beetje saai.

Ziekgroene verlichting

De negentienjarige Angéla (Izabella Hegyi) verdient wat bij op een naaiatelier en droomt onder de ziekgroene TL-verlichting van een carrière als modeontwerpster in Italië. We leven met haar mee terwijl ze verliefd wordt, teleurgesteld, en volwassen. Haar moeder, Viola (Júlia Nyakó), is toiletjuffrouw op een metrostation. Viola droomt nergens van, en heeft een ongezonde obsessie voor luchtverfrissers. Via contactadvertenties ontmoet ze vreemde mannen, en ze probeert het beste te maken van haar vieze baan. Samen bewonen ze een appartementje in Boedapest. Er wordt een aantal andere personages opgevoerd, maar die doen er niet zoveel toe. Het zijn niet meer dan aangevers in het licht-absurde, vaag-komische spel van moeder en dochter, afgesloten van de wereld, afgesloten van elkaar.

Het verhaal ben je na de film gauw weer vergeten. Wat wel blijft hangen zijn de beelden: lang aangehouden, prachtig belichte shots, waarin we aandachtig de wereld van moeder en dochter tot ons kunnen nemen. En soms maakt de camera ineens een galante, virtuoze zwiep terzijde of de hoogte in, om ons eraan te herinneren dat we niet naar een vroeg werk van Chantal Akerman kijken, maar naar het werk van een moderne regisseuse uit een opkomend filmland, die best wel weet wat er in de wereld te koop is.

In die mooie beelden ligt het probleem van Friss Levegö besloten: is het getoonde wel interessant genoeg?

Een van de leukste aspecten van reizen is te zien hoe in andere landen de gewone dingen net anders zijn dan thuis. Hoe de wc doortrekt, de treinkaartjes eruit zien, de koffie smaakt, hoe de mensen ja knikken en nee schudden, of juist andersom. Zoals zoveel niet-westerse films geeft Friss Levegö zo’n ervaring vanuit de luie stoel. Een blik op een onbekend land. Ik probeer me voor te stellen hoe ik deze film ervaren had als het een Nederlands verhaal was geweest, als de toeristische interesse geen rol had gespeeld. De magie van schappen in een buitenlandse supermarkt, de schoonheid van andermans sloppen, gemompel in een onbegrijpelijke taal, als je dat allemaal weghaalt, wat blijft er over?

Show voor filmtoeristen

Zo bekeken is de film net iets te simpel, net iets te afstandelijk om te blijven boeien. De regisseur is zich te bewust van de kijker, spant soms met hem samen. Het voelt daardoor als een show die wordt opgevoerd voor filmtoeristen zoals ik, in plaats van een doorvoeld en eerlijk portret.

Op een belangrijk moment in de film doet Angéla een vruchteloze poging te liften naar Italië. Ze wordt opgepikt door een man die een kooi op zijn achterbank heeft, met een deken erover. Ze tilt de deken op. Er zit een legbatterijkip in. “Waarom hebt u hem afgedekt?” vraagt Angéla. “Ze zijn het zo gewend. Ze kunnen niet goed tegen licht. Ze worden er nerveus van.”

Friss Levegö is uitstekend geacteerd, en gefilmd met een scherp oog voor ruimtelijkheid en lichaamstaal. Maar ik was liever de kip in de kooi geweest, dan de persoon die de deken optilt.

Eerder verschenen op Filmorama.nl

Crime d’Amour (2010)

Crime dAmourRegisseur Alain Corneau is afgelopen augustus gestorven aan longkanker. Hij is 67 jaar geworden. Crime d’Amour (2010) was zijn laatste film. Het oeuvre dat hij nalaat is divers en van hoge kwaliteit, zo spreekt de Franse pers. Geen idee of dat waar is. Niet veel van zijn films zijn buiten Frankrijk bekend, met Tous les matins du monde (1991) als uitzondering, genomineerd voor een Gouden Beer en een Golden Globe. Wie hem gezien heeft mag zijn hand opsteken. Iemand?

Over de doden niets dan goeds. Het is lastig iemands laatste film eerlijk te beoordelen. Is Crime d’Amour een bewijs van zijn meesterschap? Helaas: nee. Wist hij dat dit zijn zwanenzang zou worden? Dat is moeilijk voor te stellen. De film geeft de indruk dat het een tussendoortje was, niet zijn testament.

Crime d’Amour vertelt een verhaal dat we al vaak gehoord hebben: een ambitieuze jonge vrouw wil hogerop komen en wordt gedwarsboomd door haar kwaadaardige meerdere. Het enige dat de jongedame kan doen om haar rivaal voorbij te streven, is diens streken afkijken. Macht, jaloezie, wraak, we kennen het klappen van de zweep.

Vilein grijnzende hoofden

Maar goed, zelfs al is de inhoud niet vernieuwend, dan kan deze nog steeds een spannende vorm krijgen. Dat is in zekere zin gelukt. Corneau gebruikt een opvallend lichte toets om dit donkere verhaal te vertellen. De kantoren en woningen waar de film zich afspeelt zet hij neer in een simpele beeldregie en een palet van frisse pasteltinten. Een stijl die eerder zou passen bij een romantische komedie of een luchtige TV-krimi. Toch is het een goede keus: Corneau maakt van de Parijse zakenwereld een poppentheater, waar houterige figuren elkaars vilein grijnzende hoofden inslaan.

Isabelle (Ludivine Sagnier) heeft een hoge functie bij een grote international. Ze is verstrengeld in een vreemde symbiose met haar baas, Christine (Kristin Scott Thomas). Isabelle haalt voor Christine lucratieve deals binnen, waarna Christine telkens met de eer strijkt. Isabelle accepteert dat, zolang Christine haar behandelt als protegé en haar hogerop helpt.

Maar als Isabelle voor de zoveelste keer opzij is geschoven door de meedogenloze Christine, vindt ze het welletjes: nu is haar tijd gekomen. Ze besluit deze keer zonder medeweten van Christine een grote deal binnen te halen. Als Christine dit ontdekt, ontsteekt ze in woede, en neemt wraak door Isabelle, en diens romance met Philippe (Patrick Mille), systematisch kapot te maken.

Iets met levensmiddelen

Dit had een vruchtbaar uitgangspunt kunnen zijn om de sinistere mechanismen achter het ogenschijnlijk saaie kantoorbestaan bloot te leggen. Maar Corneau heeft die kans niet gegrepen. Het blijft allemaal aan de oppervlakte. De manier waarop Christine wraak neemt, en de wederwraak van Isabelle, voelen te bedacht. De film gaat nooit leven.

De oorzaak hiervan is dat we nooit in de wereld van de personages uitgenodigd worden. Wat ze eigenlijk doen in dit kantoor, wat hun werk inhoudt, blijft voor ons verborgen. Iets met levensmiddelen of zo. Een belangrijk deel van de plot draait om achterkamertjespolitiek en financieel mismanagement, maar er wordt nooit uitgelegd wat nou de inzet van het spel is. Het lijkt Corneau totaal niet te interesseren. De wraakmachinaties en psychologische terreur blijven daardoor op een veilige afstand.

Dat is funest voor de film. De overtuiging waarmee de twee actrices hun onderkoelde woede spelen verdiende een vaardiger regisseur, iemand met betrokkenheid. Iemand die je laat geloven dat deze poppenkast de wereld is, onze wereld. Corneau is dat niet gelukt. Want als de machtsspelletjes en het bloedvergieten zijn afgelopen, en de naam van arme Alain Corneau op de aftiteling verschijnt, kun je niets anders denken dan: “Waar was dat nou eigenlijk allemaal voor nodig?”

Eerder verschenen op Filmorama.nl