‘Het water maakt de stad’ – interview met Toine Heijmans

We spreken af in café-restaurant NAP, Toine Heijmans en ik, aan de haven van IJburg. Een toepasselijke plek: de schrijver en journalist heeft zijn zeilboot hier liggen, op een steenworp afstand van zijn huis. En in die boot schrijft hij ook, vooral over de zee. Dat deed hij niet alleen in zijn debuutroman Op Zee (2001), maar ook in zijn column in de Volkskrant. Een selectie van zijn zeecolumns is nu in bewerkte vorm gebundeld in het boek Marifoonberichten

Foto: Arjen Poortman

De zee is eigenlijk een rijk onderwerp: de romantiek van de vergezichten, ruige natuur en onbereikbaarheid. En tegelijk heeft de zee iets lomps en aards. Dat vang je mooi in je boek Marifoonberichten.

‘Op zee kun je ook niet leven, je kunt niet eens het water drinken. Je kunt er alleen overleven. De zee is een soort maan voor de meeste mensen. Dus waarom wil je daar dan zijn? Voor een visser snap ik dat nog, of een koopvaardijstuurman, die hebben daar iets te doen, maar als ik er ben heb ik er eigenlijk niks te doen.’

Je hebt een mooie niche gevonden: er is geen andere hedendaagse Nederlandse prozaschrijver te bedenken die de zee zo centraal zet in zijn werk. Hooguit Jan de Hartog, de in 2002 overleden schrijver van het boek Hollands Glorie. En dat terwijl het water zo belangrijk is in onze cultuur. Hoe komt dat toch?

‘We zijn met de rug naar het water gaan leven. Het geld komt er niet meer vandaan, of dat lijkt zo. Dat heeft zijn weerslag op literatuur en journalistiek. Terwijl er nog steeds zoveel gebeurt op zee. Ik was naar Engeland heen en weer en was verbaasd over de drukte op zee vergeleken met twintig jaar geleden. Daar heb ik toen iets over geschreven: de zee is een industrieterrein geworden. Dat was het begin van Marifoonberichten. Maar we zien het belang van de zee niet meer. Ook in Amsterdam niet. Het water heeft de stad groot gemaakt, in de oude panden zie je dat nog overal terug, maar niet meer in de mensen. En niet in de literatuur.’

Maar waarom wil je er dan zijn? Het gevoel van vrijheid?

‘Ja. Maar ook dat het er altijd anders is. Die kleurwisselingen van de lucht, die heb je niet op land. Daarom wil ik het water op. Maar dan ben ik er en dan denk ik: waarom ben ik hier eigenlijk?’

Is het ook saai?

‘Ja, vreselijk. Je kan geen boek lezen, je moet de hele tijd opletten. Maar het idee dat ik naar de haven kan lopen en wegvaren naar Terschelling, dat idee is al genoeg. Twee banen, drie pubers, toestanden met ouders, het is soms gewoon heel veel. M’n vrouw zegt ook wel eens: ‘Ga maar’. Op zee hoef ik alleen maar op te letten of de wolken goed zijn, wanneer ik minder of meer zeil moet zetten, wat m’n positie is. Nu staat m’n boot op de kant voor reparatie en dat vind ik heel verdrietig.’

Ben je op IJburg gaan wonen vanwege het water, dichtbij de vluchtroute?

‘Eerst wilde ik op Marken wonen, daar lag mijn boot. Maar toen ontdekten we IJburg, en dat bleek een soort nieuw Marken, maar dan een beetje groter. Echt een eiland. Ik heb een steigertje met een bootje achter het huis en er is niks leuker dan ’s avonds klooien met je buitenboordmotor en dan een rondje varen. Dat deed ik als kind ook al. IJburg heeft een zeegevoel, vooral door het licht. Mensen verbranden hier volgens mij sneller, door de weerkaatsing van het licht op het water. Mijn theorie is ook dat mensen hier gelukkiger zijn, doordat er meer licht in de huizen valt dan in het centrum. Water doet heel veel met mensen. Mijn allerbeste vrienden hier op het eiland heb ik ook leren kennen door het varen, en het bouwen van de haven.’

Want jij was een van de initiatiefnemers. Hoe is het idee voor een haven ontstaan?

‘Op een forum voor nieuwe IJburgers heb ik in 2003 een oproep geplaatst wie er mee wilde helpen een watersportvereniging op te richten en daar kwamen gelijk zeven reacties op. Een paar dagen later zat ik bij iemand thuis, nu een van mijn beste vrienden, met zeven onbekenden, en sindsdien hebben we zes jaar heel hard gewerkt, niemand had eigenlijk een idee hoe je zoiets aanpakt, maar het is gelukt. Inmiddels is het clubhuis ook klaar. Ik vind de haven de mooiste plek van IJburg geworden.’

Heeft de gemeente er geld in gestoken?

‘We hebben een beetje subsidie gekregen, maar het grootste deel is betaald met een hypotheek. De rente betalen we terug met het liggeld voor de 110 plekken. Het is vooral liefdewerk oud papier.’

Het is het horecacentrum van IJburg geworden. Levert de haven extra inkomsten op voor de cafés?

‘Passanten die aanmeren verwijzen we met liefde door naar de plaatselijke horeca. Maar het is toch vooral een haven voor IJburg zelf. Toen we begonnen wilden mensen uit heel Nederland een ligplaats, maar daar hebben we nee tegen gezegd. Alleen als je op IJburg woont kun je een plaats krijgen. Je kent elkaar daardoor allemaal, helpt elkaar, gaat met elkaar varen. Dat is heel leuk.’

Denk je dat de aankomende uitbreiding van IJburg, met nieuwe haven, effect zal hebben op jullie haven?

‘Ik zie het positief. Onze haven ligt op het kruispunt van oud en nieuw IJburg. En we hebben juist uitbreiding nodig. Op onze wachtlijst staan nu geloof ik tweehonderd mensen. Het water hoort bij IJburg. Vroeger lagen verderop de boten bij Pampus voor anker op hoog water te wachten. Ik vind dat we straten naar zeilhelden moeten gaan vernoemen.’

Je hebt ook een boek geschreven over de beginjaren op IJburg, La Vie Vinex (2007). Is IJburg veranderd sindsdien? Minder een typische Vinex-wijk geworden?

‘Ik heb me er altijd tegen verzet dat IJburg geen Vinex is. Dat is het wel. Misschien wordt het ooit een centrumwijk, maar nu is het nog gewoon een buitenwijk. Het is misschien wat stadser geworden. Er zijn winkels, kantoren en cafés. Je hoeft het eiland niet af. Mijn kinderen hebben ook niet het gevoel dat ze Amsterdammers zijn. Wat ik geslaagd vind is dat alles hier door elkaar loopt. Dat is niet typisch Vinex.

Je hebt in de Volkskrant veel over mensen met een migratie-achtergrond geschreven. Is er een relatie tussen dat thema en de zee?

‘Migratie zien wij vaak als probleem. Terwijl het voor de migranten heel anders is, die zijn op zoek naar iets anders en gaan onbekende kusten verkennen. Daar kun je wel een vergelijking maken. Maar goed, de migranten die nu naar Europa komen hebben vaak een hekel aan de zee gekregen, omdat ze met een rubberbootje een verschrikkelijke overtocht hebben moeten maken. Ik ben nu bezig, in een embryonaal stadium nog hoor, om met een aantal vrienden een film te maken waarin die twee thema’s gecombineerd worden. Een verhaal over kleinschalige mensensmokkel via zeilboten.’

Gaat er ooit een moment komen dat je klaar bent met het water?

‘Zeezeiler Henk de Velde nam het eerste exemplaar van Marifoonberichten in ontvangst en vertelde toen dat hij voor het eerst een zomer in Nederland zou blijven met z’n boot. Terwijl hij iemand is die altijd bezig was met de volgende verre tocht. Misschien hoeft het op een bepaald moment gewoon niet zo erg meer.’

Is het leven op zee meer iets voor jonge mensen dan?

‘Nou, mijn kinderen willen niet mee. Ze vinden het saai. Misschien heb ik ze te vroeg in de boot gezet, m’n oudste was drie maanden toen ze in de Maxi-Cosi meeging het IJsselmeer op. Maar het is wel zo dat ik zelf minder ver weg ga, een tochtje van een half uur is vaak al genoeg. Die drang om tegen de noordenwind in naar Noorwegen op te kruisen ebt een beetje weg.’

Je boot ligt nu op het dok. Wat wordt je eerste tocht als hij weer vaart?

‘Misschien toch naar Noorwegen. Maar ik kijk er vooral naar uit weer in mijn boot te schrijven. Dat is vaak al genoeg. Als alles dan een beetje schommelt en ik m’n marifoon aanzet is het net of ik onderweg ben naar IJsland.’

Eerder verschenen in IJopener Magazine.

In gesprek met stedenbouwkundige Esther Reith over Strandeiland (IJburg)

De tweede fase van IJburg komt van de grond. Het landmaken voor Centrumeiland is al van start en deze maand wordt het stedenbouwkundig plan voor Strandeiland aan het college van burgemeester en wethouders gepresenteerd. IJburg fase 1 – Haveneiland, Steigereiland en de Rieteilanden – is volgebouwd en lijkt een geslaagde balans te zijn geworden tussen stedelijk en rustig wonen in Amsterdam. Welke lessen hebben de ontwerpers van IJburg 2 geleerd van IJburg 1? Welke succesformules worden overgenomen en welke zaken willen ze beter doen?

Ik legde deze vraag voor aan Esther Reith, al twintig jaar stedenbouwkundige voor de gemeente Amsterdam. Zij is hoofdontwerper voor Strandeiland en stuurt een team van veertien stedenbouwkundigen, verkeersontwerpers en planologen aan die samen het stedenbouwkundig plan maken voor hoe Strandeiland er in hoofdlijnen uit gaat zien.

Impressie van Strandeiland (bron: gemeente Amsterdam)

Nieuwe inzichten

Esther werkt samen met haar team in het IJ-Atelier in het Tolhuis aan de plannen, om ze straks te kunnen presenteren aan het college. Wandelend rond een maquette van Centrumeiland en Strandeiland legt ze uit hoe hun plan tot stand is gekomen. ‘Toen ik met IJburg begon lagen er al goede plannen voor Strandeiland van tien jaar terug. Maar door de crisis is alles tot stilstand gekomen. Dat betekende ruimte voor nieuwe inzichten. Vooral verkeer en duurzaamheid moesten we bijstellen. Het huidige plan is daardoor anders geworden. Maar als je door je oogharen kijkt, wordt het toch typisch IJburg.’

De contouren van de eilanden zijn hetzelfde gebleven, twee buurten gescheiden door een groot binnenwater, ‘maar de invulling is anders. In het binnenwater ligt nu geen hoge bebouwing meer. Je kunt nu overal bij het water, om te zwemmen en te vissen.’ Het noordelijk deel van Strandeiland, de Pampusbuurt, krijgt een statige bomendijk en het zuidelijk deel, de Muiderbuurt, krijgt een zachtere overgang van land naar water, een ruige natuurbaai. ‘Dat was een van de wensen naar aanleiding van IJburg 1: meer groen. Dus er komen ook meer parken die het rechte stratenplan doorbreken.’

Aan de westkant komt een nieuw stadsstrand. Het nieuwe Blijburg? ‘Ja, maar wel drie keer zo groot. We verwachten meer mensen, uit heel Amsterdam. Er komt horeca op drie plekken langs het strand.’ Water wordt sowieso beeldbepalender dan in IJburg 1, vertelt Esther. ‘Ik vind het jammer dat je op Haveneiland zo moeilijk bij het water kan komen, en dat terwijl je op een eiland woont. Dus op Strandeiland kun je straks een rondje om het eiland lopen. Daarom worden de bruggen hoger, zodat je eronderdoor kan. Met functies onder de brug. Een beetje zoals de Berlagebrug. En de doorgaande straat in de Muiderbuurt komt hoger te liggen dan de omgeving, waardoor je altijd het water kan zien. De ‘hoge rug’ noemen we die.’

Voorzieningen komen ook grotendeels aan het water. Aan de zuidwestkant van de Muiderbuurt komt de Makerskade, een wat vrijer ingerichte ruimte om te werken en te klussen. En aan de noordoostkant wordt de relatie met het water versterkt door het ophogen van de kade. ‘We willen niet dat IJburg aan die kant in het water verdwijnt, maar dat IJburg oprijst uit het water als je komt aanvaren. Als een Zuiderzeestadje.’

Brooklyn-milieu

Op Strandeiland wordt eenzelfde strak stratenraster gebruikt als op IJburg 1, ‘maar fijnmaziger. In de Pampusbuurt willen we een Brooklyn-milieu, huizen met trappetjes. Dus rondom de blokken komt een strook van 2,5 meter, de margestrook, waar trappetjes, erkers en voortuintjes kunnen komen. Zo ontstaan bel-etages met souterrains. En er komen twee rijen bomen in de straten, om een groen beeld te geven. Toch blijft het stedelijk doordat de gebouwen tot vijf etages krijgen.’

In de Muiderbuurt komt ook zo’n fijnmaziger grid, maar wat minder stedelijk, drie of vier lagen in plaats van vijf. Esther wijst naar de zuidelijke oever van de Muiderbuurt. ‘Hier, aan het water, krijg je een beetje een Venice Beach-gevoel, je loopt vanuit je huis op je teenslippers naar de natuurbaai. En in het midden van de straten komt een wadi, een groene middenberm waar regenwater wordt opgevangen. Deze buurt leent zich goed voor veranda’s op de margestrook.’ Op Haveneiland is ook een margestrook, maar die wordt niet veel gebruikt. ‘Hij is daar net te smal, 1,2 meter. De verhoudingen van de straten worden sowieso anders: ze worden eenentwintig meter breed in plaats van de vierentwintig meter van Haveneiland. Daar voelen de straten te breed hoorden we vaak. Wij proberen het intiemer te maken.’

Granieten straatkeien
De feedback komt van alle kanten, dus ze hebben veel kunnen leren van IJburg 1. Van de trotse IJburgers zelf die langskwamen op zelfbouwmarkten om ideeën te spuien. Van ontwikkelaars en woningbouwcorporaties die de markt goed kennen. En van buurtinitiatieven die met inspirerende voorstellen kwamen. Eén aspect dat steeds terugkwam is het gebruik van de granieten straatkeien op IJburg 1. ‘Het blijkt dat IJburg daardoor stedelijke allure heeft, vinden bewoners. Dus Strandeiland krijgt een soortgelijke kei.’

Maar wat is nou het overkoepelende verhaal van IJburg? Daarvoor zijn Esther en haar team aan de slag gegaan met een schrijver. Ze deden schrijfoefeningen met een aantal actief betrokken IJburgers en kwamen zo tot ‘het verhaal van IJburg’. Het is een onderdeel geworden van het stedenbouwkundig plan. Als het college het plan vrijgeeft voor inspraak, wordt het geheel begin december openbaar gemaakt.

Huidig Haveneiland. Foto: Arjen Poortman

‘Als het plan is goedgekeurd, wordt Strandeiland in twee fases aangelegd, eerst de zuidwestelijke kant en dan de noordoostelijke. Want dat was een les uit IJburg 1: niet gelijk alles aanleggen. We hebben het eiland dan ook zo ontworpen, dat het in twee happen kan. Dat je halverwege kunt bijsturen.’

Wat wel hetzelfde wordt als IJburg 1: er komt een binnenhaven. Eromheen komen de winkels, cafés en een tramhalte. En omdat er al lang een sterke roep is om een binnenbad, is daar in het plan ruimte voor gemaakt, bij de haven. Er is hier ook een mobiliteitshub gepland waar je je auto parkeert en verder gaat met een elektrisch vervoersmiddel, want ‘we willen dat het een emissievrij eiland wordt. Zo duurzaam mogelijk. De gebouwen krijgen wat we een vijfde gevel noemen: een dak waarop zonnepanelen, groen of waterberging ligt. En er komt duurzame sanitatie.’ Dat blijkt iets anders te zijn dan je wc doorspoelen met vaatwaswater. ‘Je krijgt een soort vliegtuig-wc, met een afvoer naar een vergister op het eiland. De warmte die daarbij vrijkomt wordt ook weer gebruikt. Voor achtduizend woningen. Er zitten dus wel een paar grote ambities in het plan. Maar we hebben een terugvalmogelijkheid, traditionele voorzieningen worden ook aangelegd.’

Ontsluiting

Een bekend knelpunt op IJburg is tram 26: als die uitvalt kun je alleen met de auto naar het centrum. Daarom komen er meer verbindingen: twee bussen, uit Weesp en vanaf de Arena. En de mobiliteitshub levert deelauto’s en deelfietsen, ook elektrische. En hoe staat het met de mogelijke lightrailverbinding, de ‘IJmeerlijn’? ‘We reserveren er wel plek voor. Maar voorlopig is zelfs een eiland met 8000 woningen te klein voor vervoerders om zo’n verbinding rendabel te maken. Dat geldt ook voor een veerpont naar Centraal Station. Maar een watertaxi zoals in Rotterdam zou kunnen.’ Er spreken stedelijke ambities uit de plannen, maar dat was ook in de plannen voor IJburg 1 het geval. De bedrijvigheid is daar echter nooit goed op gang gekomen. Hoe kijkt Esther daar tegenaan?

‘We concentreren de bedrijvigheid met commerciële voorzieningen rond het strand en de binnenhaven zodat het daar levendig wordt. En alle gebouwen krijgen een hoge begane grond zodat er wel bedrijven in zouden kunnen komen. Maar helemaal stedelijk gaat het niet worden. Het is een plek voor gezinnen, voor buiten wonen, maar wel in de Amsterdamse context. Dat was onze opdracht.’ Deze maand toetst het college in hoeverre aan die opdracht is voldaan. Daarna is er ruimte voor inspraak. Waar kunnen mensen terecht om hun mening te geven?

‘De inspraakavond vindt plaats in Lolaland, in het oude Blijburg. Dat is voor ons de plek waar we de komende tijd contact zullen houden met de bewoners.’ Op de vraag of Esther zelf op Strandeiland wil wonen, antwoordt ze zonder een spoor van twijfel. ‘Ja! Maar dat weet mijn man nog niet.’

Eerder verschenen in IJopener Magazine.

Huizen in het niets – de architectuur van Alex van Warmerdam

screenshot uit De laatste dagen van Emma Blank (2009)

Voor vele van zijn films ontwierp Alex van Warmerdam zelf de huizen en liet die tot in de kleinste details naar zijn wens bouwen. In het EYE is nu een tentoonstelling van zijn werk en een retrospectief van zijn films. Naar aanleiding daarvan schreef ik voor Archined een essay over de architectuur in het werk van Van Warmerdam.

Een film zien is ruimte en tijd beleven. Niet de ruimte en tijd waarin we ons normaal gesproken begeven, maar een abstractie ervan, gekneed en versneden door de filmmaker. Film is in dat opzicht nauw verwant aan architectuur. Zowel filmmakers als architecten scheppen kaders waarbinnen mensen zich kunnen manifesteren. Een film is, net als een gebouw, een podium voor het menselijk theater.

Niet alleen op theoretisch niveau zijn de twee vakgebieden verwant. In praktische zin ontmoeten architectuur en film elkaar in de constructie van filmsets, in het ontwerpen en bouwen van woningen, kantoren, straten, landschappen en voertuigen speciaal voor gebruik in een film. De geschiedenis van setontwerp is rijk, waarin de invloed van onder meer theaterdecor, fotografie, schilderkunst en design een grote rol speelt. Setontwerp is een integraal, onmisbaar onderdeel van films maken.

Filmmaker Alex van Warmerdam (1952) begrijpt dit. Hij buit de kracht van setontwerp tot in het extreme uit: voor vele van zijn films ontwierp hij zelf de huizen en liet die tot in de kleinste details naar zijn wens bouwen. De nieuwbouwstraat in De Noorderlingen (1992). De boerderij in Kleine Teun (1998). De woonhuizen in De Laatste Dagen van Emma Blank (2009), Borgman (2013) en Schneider vs. Bax (2015).

screenshot Schneider vs Bax (2015)

Van Warmerdam ziet het als iets doodnormaals om voor een film zelf gebouwen te ontwerpen – hoe meer controle, hoe meer expressieve precisie – maar in de Nederlandse filmwereld is dit volstrekt ongebruikelijk. Men vindt het duur, men heeft de ervaring niet, men denkt dat het onnodig is. Het gevolg is dat Nederlandse filmmakers vrijwel altijd op bestaande locaties draaien waarvan het interieur aangepast wordt. Vaak houdt dat niet veel meer in dan een ander behang aanbrengen en een deel van de meubels vervangen. Daarmee hebben filmmakers maar een zeer beperkt arsenaal aan visuele middelen tot hun beschikking om een locatie de precieze verschijningsvorm te geven die een film nodig heeft.

Van Warmerdam neemt hier geen genoegen mee. Hierin speelt ongetwijfeld een rol dat hij niet alleen filmmaker is, maar ook onder meer kunstschilder, theatermaker en romanschrijver. Deze drie artistieke vakgebieden hebben gemeen dat de maker steeds weer begint met niets: een leeg doek, een leeg podium, een leeg vel papier. Elk element waaruit het uiteindelijke kunstwerk bestaat is het resultaat van een additie van de kunstenaar. Van Warmerdam doet hetzelfde in zijn films: hij begint met een leeg landschap en voegt precies toe wat hij nodig heeft, en niets meer.

Dat levert beelden op die specifiek en daardoor onvergetelijk zijn: de nieuwbouwstraat in De Noorderlingen waaromheen niets anders is dan velden en bossen; de zwarte muren van de eenzame duinvilla in De Laatste Dagen van Emma Blank, het huisje aan het meer in Schneider vs. Bax, verscholen in een zee van riet. Huizen in het niets, podia voor verhalen.

screenshot De Noorderlingen (1992)

In EYE Amsterdam is momenteel een tentoonstelling van het beeldende werk van Van Warmerdam te zien, in combinatie met een retrospectief van bijna al zijn films. De tentoonstelling, getiteld L’histoire kaputt, laat voornamelijk nieuw werk zien van Van Warmerdam (schilderijen, videowerk en installaties) en geeft een goed beeld van zijn fascinaties. Eén daarvan, een installatie getiteld Kamer (2017-2018), is van bijzonder belang in een architectonische context: het is een woning.

De woning is opgetrokken uit naar binnen gerichte decorpanelen, waardoor het object aan de buitenzijde oogt als een binnenstebuiten gekeerd theaterdecor. Ga je de voordeur door, dan ben je er nog niet: in totaal loop je door negen deuren voordat je de woning in het binnenste van het kunstwerk betreedt. Het is de woning van een kluizenaar misschien: op een ontbijtbordje op tafel ligt een enkele snee kaas en in de piepkleine slaapkamer staat een eenpersoonsbed.

Wat opvalt zijn de texturen. Het behang, de vloeren, de gebruikerssporen op de meubels, alles is met zorg gekozen en behandeld. En Van Warmerdam heeft een groot deel van dat werk zelf uitgevoerd, vertelt curator Jaap Guldemond: “Hij was niet blij met de strakke tentoonstellingsvloer dus er ligt nu een andere vloer in het huisje. Tot vlak voor de opening heeft hij nog aan de details en slijtsporen van het interieur gewerkt. Hij weet precies wat hij wil.”

screenshot Borgman (2013)

Wat Van Warmerdam in ieder geval niet wil, is de werkelijkheid reproduceren. In het werk Kamer, en ook in de architectuur in zijn films, valt een desinteresse voor realisme op. Zijn woningen, zeker die in zijn laatste films, hebben meer weg van complexe theaterdecors dan van echte gebouwen. Dit is doelbewust; de formele aspecten van zijn architectuur worden bepaald door de inhoud van de film, niet door een realistisch architectonisch programma. Waar Hitchcock in zijn setontwerpen vaak gebruik maakte van typologieën en ornamentiek die pasten bij de geografische locaties van de gebouwen, en Kubrick voor Eyes Wide Shut (1999) een fictieve maar realistische New Yorkse straat liet bouwen in een Engelse filmstudio, kiest Van Warmerdam voor fictionele architectuur in een anoniem landschap. Hoewel er verwijzingen naar bestaande architectonische stijlen te vinden zijn in zijn werk (de witte kozijnen met geometrische decoratie die het huis van Emma Blank sieren zijn geïnspireerd op kozijnen die Van Warmerdam in IJsland zag; de villa in Borgmanheeft een Brutalistisch ogende betonnen façade (1)), zijn de gebouwen beter te begrijpen als beeldende kunst dan als architectuur. Het eerder genoemde werk Kamer, bijvoorbeeld, is meer een walk-in artwork in de traditie van The Beanery (1965) van Edward Kienholz en The Man Who Flew into Space from His Apartment (1985) van Ilja Kabakov dan een vorm van architectonische expressie.

Deze onarchitectonische aanpak uit zich ook in de plattegronden en functionele aspecten van de huizen. Zoals voor vrijwel alle filmsets geldt, zijn de woningen van Van Warmerdam technisch gezien niet bewoonbaar (er is geen stromend water, de muren zijn van multiplex), maar ook de ruimtelijke indeling maakt de gebouwen ongeschikt voor bewoning. “Als er geen wc in het script voorkomt, bouwen we ook geen wc in het huis,” aldus Van Warmerdam. “Er wordt dan zelfs geen rekening gehouden met waar eventueel een wc zou kunnen zitten in de plattegrond. Hij is er gewoon niet.”

screenshot De laatste dagen van Emma Blank (2009)

Ook de proporties van de volumes zijn ondergeschikt aan het narratieve programma, wat het resultaat is van Van Warmerdams ontwerpproces. In de scenariofase bepaalt hij welke kamers er moeten komen, waarna hij in storyboards onderzoekt hoe de personages door deze ruimtes bewegen. Daaruit volgt hoe de ruimtes geschakeld dienen te worden. De volumes die daaruit toevallig ontstaan, gevat in een door de regisseur zelf gemaakte kartonnen maquette, bepalen de uiteindelijke architectonische uitdrukkingsvorm.

Het valt bovendien op dat de ruimtes zelf in Van Warmerdams’ werk geen inherente symbolische betekenis hebben, hoewel dit in klassiek setontwerp juist vaak een grote rol speelt. In Rebecca (1940) van Hitchcock bijvoorbeeld ligt een duidelijk Freudiaans symbolensysteem ten grondslag aan de indeling en inrichting van Manderley, het kasteeltje waar de film zich grotendeels afspeelt (2). Zo is de slaapkamer van de overleden Rebecca, de ‘verboden’ kamer die niemand mag betreden, tegelijk de plek waar haar ondergoed wordt bewaard én een grafmonument, waarmee de Freudiaanse onderbewuste relatie tussen lust en dood wordt geaccentueerd. Bij Van Warmerdam is zulke inherente ruimtelijke symboliek vreemd. Bij hem krijgt een slaapkamer zijn betekenis niet door de cultuurhistorische context of een bestaand symbolensysteem, maar door de handelingen van de personages in het hier en nu van het verhaal.

Kamer (2017-2018)

Inherente symboliek is echter wel sterk aanwezig in zijn textuur- en materiaalgebruik. Van Warmerdams architectonische ontwerpen kenmerken zich namelijk door een uitzonderlijke aandacht voor de betekenis van het oppervlak. Al in Kleine Teun zien we deze aandacht tot uiting komen in het bedrukkende behang aan de boerderijmuren en het omineus donkere lattenwerk dat de schuur ernaast bekleedt. Het huis in Borgman is in dit opzicht misschien wel het ultieme Van Warmerdam-ontwerp: de visuele kracht van die film is grotendeels het resultaat van twee textuurcontrasten: het contrast tussen de kilgrijze gladheid van het betonnen gebouw tegenover de groenbruine ruwheid van de natuur, en het contrast tussen datzelfde gladde beton aan de buitenzijde en de huiselijk warmte van het interieur zoals die tot uitdrukking komt in gedecoreerd behang en roodbruine houten panelen als muurbekleding.

Van Warmerdams aandacht voor de expressieve kracht van architectuur en design, die scherp in beeld komt in de tentoonstelling L’histoire kaputtgeeft zijn werk een unieke plek in de Nederlandse filmwereld. Zijn oeuvre bewijst hoeveel visuele en narratieve rijkdom Nederlandse filmmakers links laten liggen door steeds maar weer de wereld te tonen zoals ze is: voortdurend dezelfde soort straten, huizen en landschappen, altijd dezelfde, herkenbare wereld.

De uitzonderingspositie die Van Warmerdam inneemt in Nederland kun je niet los zien van zijn interdisciplinaire aanpak. Beeldende kunst, architectuur, film en design gaan in zijn werk naadloos in elkaar over, voeden elkaar, gaan in gesprek. En in EYE mag je momenteel meeluisteren met deze gesprekken. Wat vertelt het dode meisje in de ketel tegen de schoenen in het aquarium? Wat heeft het geeuwende kussen met de geprojecteerde suppoost te bespreken? En wat zouden al die figuren, in het donker na sluitingstijd, tegen elkaar fluisteren over wie er toch in die mysterieuze Kamer woont?

Noten
1) Brutalisme wordt in film vaak gebruikt als een symbool voor antisentimentalisme en puurheid. Zie bijvoorbeeld: Katherine Shonfield, Walls Have Feelings: architecture, film and the city, Routledge London, 2000, p. 23
2) Steven Jacobs, The Wrong House; The Architecture Of Alfred Hitchcock, 010 Publishers Rotterdam, 2007, p. 39-40

Eerder verschenen op Archined.nl