Friss Levegö (2006)

Friss LevegoZou Friss Levegö (‘frisse lucht’, 2006), het speelfilmdebuut van Ágnes Kocsis, een typisch Hongaarse film zijn? Misschien wel. De personages zijn arm, maar niet straatarm. De stad ziet er ex-communistisch, maar niet eens zo heel bedrukkend uit. En het verhaal gaat over een meisje dat droomt van een vlucht naar het westen, maar de grote sprong niet aandurft. De film bevestigt alle vermoedens die je hebt over Hongarije, en is heel precies gekalibreerd op de zintuigen van een westers filmhuispubliek. Dat is knap, maar ook een beetje saai.

Ziekgroene verlichting

De negentienjarige Angéla (Izabella Hegyi) verdient wat bij op een naaiatelier en droomt onder de ziekgroene TL-verlichting van een carrière als modeontwerpster in Italië. We leven met haar mee terwijl ze verliefd wordt, teleurgesteld, en volwassen. Haar moeder, Viola (Júlia Nyakó), is toiletjuffrouw op een metrostation. Viola droomt nergens van, en heeft een ongezonde obsessie voor luchtverfrissers. Via contactadvertenties ontmoet ze vreemde mannen, en ze probeert het beste te maken van haar vieze baan. Samen bewonen ze een appartementje in Boedapest. Er wordt een aantal andere personages opgevoerd, maar die doen er niet zoveel toe. Het zijn niet meer dan aangevers in het licht-absurde, vaag-komische spel van moeder en dochter, afgesloten van de wereld, afgesloten van elkaar.

Het verhaal ben je na de film gauw weer vergeten. Wat wel blijft hangen zijn de beelden: lang aangehouden, prachtig belichte shots, waarin we aandachtig de wereld van moeder en dochter tot ons kunnen nemen. En soms maakt de camera ineens een galante, virtuoze zwiep terzijde of de hoogte in, om ons eraan te herinneren dat we niet naar een vroeg werk van Chantal Akerman kijken, maar naar het werk van een moderne regisseuse uit een opkomend filmland, die best wel weet wat er in de wereld te koop is.

In die mooie beelden ligt het probleem van Friss Levegö besloten: is het getoonde wel interessant genoeg?

Een van de leukste aspecten van reizen is te zien hoe in andere landen de gewone dingen net anders zijn dan thuis. Hoe de wc doortrekt, de treinkaartjes eruit zien, de koffie smaakt, hoe de mensen ja knikken en nee schudden, of juist andersom. Zoals zoveel niet-westerse films geeft Friss Levegö zo’n ervaring vanuit de luie stoel. Een blik op een onbekend land. Ik probeer me voor te stellen hoe ik deze film ervaren had als het een Nederlands verhaal was geweest, als de toeristische interesse geen rol had gespeeld. De magie van schappen in een buitenlandse supermarkt, de schoonheid van andermans sloppen, gemompel in een onbegrijpelijke taal, als je dat allemaal weghaalt, wat blijft er over?

Show voor filmtoeristen

Zo bekeken is de film net iets te simpel, net iets te afstandelijk om te blijven boeien. De regisseur is zich te bewust van de kijker, spant soms met hem samen. Het voelt daardoor als een show die wordt opgevoerd voor filmtoeristen zoals ik, in plaats van een doorvoeld en eerlijk portret.

Op een belangrijk moment in de film doet Angéla een vruchteloze poging te liften naar Italië. Ze wordt opgepikt door een man die een kooi op zijn achterbank heeft, met een deken erover. Ze tilt de deken op. Er zit een legbatterijkip in. “Waarom hebt u hem afgedekt?” vraagt Angéla. “Ze zijn het zo gewend. Ze kunnen niet goed tegen licht. Ze worden er nerveus van.”

Friss Levegö is uitstekend geacteerd, en gefilmd met een scherp oog voor ruimtelijkheid en lichaamstaal. Maar ik was liever de kip in de kooi geweest, dan de persoon die de deken optilt.

Eerder verschenen op Filmorama.nl