Sprezzatura

In het Louvre hangt een beroemd portret van Baldassare Castiglione, dat rond 1515 is geschilderd door zijn goede vriend Raphael. Castiglione wordt tegenwoordig vooral herinnerd door zijn boek Il libro del Cortegiano (Het boek van de Hoveling), geschreven in 1527. Het werk diende als leidraad voor het gedrag en de smaak van een hoveling, en is daarmee een belangrijk onderzoeksobject voor het bestuderen van leefgewoonten in het Italië van de zestiende eeuw.

Castiglione en Raphael leerden elkaar kennen in Rome, toen Castiglione daar gevestigd was als ambassadeur van de graaf van Urbino, Guidobaldo da Montefeltro. Naast zijn ervaringen aan het hof van de graaf, is het vooral de elegante nonchalance die de schilderijen van Raphael uitstraalden in verfbehandeling en compositie, die Castiglione ertoe inspireerde het begrip sprezzatura te introduceren. Hij beschrijft het in zijn Cortegiano als een vorm van gracieuze nonchalance, van geoefende moeiteloosheid. Het is, volgens Castiglione, de juiste houding in elke culturele activiteit, en een essentieel onderdeel van eerbaar gedrag. Zijn ideaalbeeld van de hoveling is een voorafschaduwing van de gentleman.

“But, having thought many times already about how this grace is acquired (leaving aside those who have it from the stars), I have found quite a universal rule which in this matter seems to me valid above all others, and in all human affairs whether in word or deed: and that is to avoid affectation in every way possible as though it were some very rough and dangerous reef; and (to pronounce a new word perhaps) to practice in all things a certain sprezzatura [nonchalance], so as to conceal all art and make whatever is done or said appear to be without effort and almost without any thought about it.”1)

Meer nog dan in etiquette heeft het begrip een sterke betekenis — en een aantal belangrijke implicaties — meegekregen in de kunstgeschiedenis. Vaak wordt ermee bedoeld dat een kunstwerk er uit dient te zien alsof het maken ervan geen moeite heeft gekost. Een kunstwerk dien je op te zetten in lichtvoetige maar gedecideerde schaakzetten, trefzeker en zonder ambiguïteit. Het mag geen sporen van gemodder en geploeter verraden, mag niet de indruk wekken het resultaat te zijn van een worsteling.

Sprezzatura betekent niet dat de scheppingssporen uitgewist dienen te worden. Integendeel. Je verdient extra punten als de beschouwer juist door die sporen de indruk krijgt dat het ontstaan van het werk moeiteloos is geweest. De erotische tekeningen van Rodin zijn misschien een goed voorbeeld: steeds opgezet in slechts enkele frivole lijnen lijken de werken in luttele seconden tot stand te zijn gekomen. Alsof Rodin gedachteloos meesterwerken uit zijn mouw schudde.2) De schilderijen van Mondriaan zijn het tegendeel: talloze sporen van correcties, en een krampachtige, soms regelrecht onhandige materiaalbewerking, alleen maar om een eenvoudig ingekleurd ruitjespatroon te maken.

Dit verschil manifesteert zich op een veelbetekenende manier als kunst gereproduceerd wordt. Kunstwerken zoals de tekeningen van Rodin gaan er op achteruit in reproductie. De persoonlijke, tactiele virtuositeit van het origineel verdwijnt in vlak, gestandaardiseerd drukwerk. Maar de werken van Mondriaan worden er juist beter op. Al het geklungel valt weg, en wat blijft zijn de prachtige kleuren en de evenwichtige composities die toch vol spanning zijn. Victory Boogie Woogie is in reproductie subliem; het origineel daarentegen ziet er knullig uit, en valt bovendien van ellende uit elkaar.3)

Een kunstwerk krijgt meer waardering van het algemene publiek als het gezien kan worden als de virtuoze handeling van een menselijk lichaam, dan wanneer het de onpersoonlijke uiting lijkt van een brein dat los in een vacuüm zweeft. Een acrobaat die danst op een koord is een magneet voor onze aandacht, ongeacht hoe onbenullig en betekenisloos het trucje eigenlijk is. Het gros van de mensen heeft echter geen respect voor abstracte kunst: er lijkt geen acrobatiek aan te pas te komen. Het is voor hun waardering van geen belang dat mentaal koorddansen net zo moeilijk kan zijn, en ze willen niet begrijpen dat het uiteindelijke tastbare werkstuk soms van ondergeschikt belang is in het scheppingsproces.

Omdat in het werk van Mondriaan het gebrek aan sprezzatura samenvalt met een gebrek aan virtuositeit, en in Rodins werk deze twee kwaliteiten beide aanwijsbaar zijn, bestaat het gevaar dat de twee begrippen nu als synoniemen gezien gaan worden. Laten we daarom een duidelijker onderscheid maken. Want virtuositeit is een vereiste voor sprezzatura, maar geen garantie.

John Coltrane is een van de belangrijkste tenorsaxofonisten van de twintigste eeuw. Hij begon in de jaren veertig als R&B-saxofonist, en speelde in slechte kroegen en bordelen voor het schuim der aarde, zoals zoveel beginnende jazzmuzikanten. De meesten blijven op dat niveau hangen, maar Coltrane nam daarmee geen genoegen. Al vroeg besefte hij dat zijn inzicht in harmonische structuren en improvisatiemethoden geavanceerder was dan dat van de meeste van zijn tijdgenoten. Ondanks het onbegrip waar hij tegenaan liep in zijn omgeving, besloot hij zijn eigenwijze muzikale visie uit te diepen. Vanaf de jaren vijftig nam hij een prachtige serie vooruitstrevende platen op die bol stonden van gecompliceerde harmonieën en uitgesponnen solo’s. Vanaf de jaren zestig gooide Coltrane een aantal malen het roer om. Zo componeerde hij in 1964 A Love Supreme, een sterk religieus getint stuk dat gezien wordt als een twintigste-eeuws meesterwerk. En de platen die hij in de fase daarna opnam zijn chaotisch, luidruchtig, soms niet om aan te horen — waarschijnlijk door de invloed van LSD.

Coltrane is bij uitstek een voorbeeld van de zoekende kunstenaar, iemand die nooit genoegen neemt met eerder behaalde resultaten, hoe briljant die ook zijn. Zijn saxofoonspel was vaak getergd, fragmentarisch en hartstochtelijk, en constant in verandering. Coltranes spel is een voorbeeld van virtuositeit zonder sprezzatura: technisch subliem, maar ook een openbare worsteling.

Johnny Hodges is tegenwoordig niet zo bekend als John Coltrane, maar vanaf 1928 was hij, enkele onderbrekingen daargelaten, 38 jaar lang een van de stersolisten in het orkest van Duke Ellington. Dat maakt hem het jazz-equivalent van een bandlid van de Rolling Stones. Samen met Benny Carter heeft hij van de altsaxofoon een van de belangrijkste solo-instrumenten in de jazz gemaakt, en hij kende schijnbaar geen twijfel of onzekerheid over zijn muzikale talenten. Waar mindere solisten plankenkoorts kregen als het hun beurt was om te soleren, en daardoor fouten maakten of zich geen houding konden geven, bleef Hodges stoïcijns tijdens optredens. Enkele maten voordat hij zijn solo moest beginnen, stond hij op van zijn plaats in de saxofoonsectie, liep kalmpjes naar voren, en arriveerde precies op het juiste moment bij de microfoon. Met enigszins verveelde blik zette hij zijn altsaxofoon aan de lippen en begon schijnbaar routineus te blazen. Maar het geluid dat hij voortbracht stond in groot contrast met zijn ongeïnteresseerde houding: hij betoverde het publiek telkens weer met zijn lyrische, hartstochtelijke, prachtig geconstrueerde solo’s. Als het daverende applaus aanving, knikte hij beschaafd, draaide zich droogjes om en nam weer plaats op zijn krukje, om te wachten op zijn volgende solomoment.

Hodges interesseerde zich niet voor zijn sterrenstatus. Hij wilde slechts mooi en precies spelen. Hij stond erom bekend dat hij nooit een noot miste. De artistieke worsteling was hem bovendien vreemd; zijn toon en improvisatiewijze bleven gedurende zijn hele loopbaan vrijwel ongewijzigd. Hodges’ spel laat zien wat sprezzatura betekent: technisch subliem, maar schijnbaar moeiteloos voortgebracht.

Virtuositeit mag dan wel een vereiste zijn voor het maken van een kunstwerk dat sprezzatura vertoont, het zegt niets over de eigenlijke moeite die het tot stand brengen van het werk heeft gekost. Hodges’ nonchalance op het podium was het resultaat van eindeloze oefening, van onmenselijke zelfbeheersing. En we hebben geen idee hoeveel tekeningen Rodin moest maken voordat er één treffende tussen zat. De mislukkingen zijn op de vuilnisbelt terecht gekomen. Dat is meteen ook de meest gehoorde kritiek op het nastreven van sprezzatura: dat het een vorm van liegen is. De kunstenaar wekt slechts de schijn dat we getuige zijn van een onmogelijke prestatie — het falen is in een eerder stadium al weggefilterd.

Een bevriend jazzliefhebber vertelde mij eens dat hij uit principiële overwegingen een hekel had aan Charles Mingus. De legendarische bassist had namelijk de registratie van het Jazz at Massey Hall-concert gemanipuleerd. Mingus vond dat zijn baspartijen niet goed opgenomen waren, en besloot deze enkele weken later opnieuw op te nemen in een studio en over de bestaande concertregistratie te mixen.4) Dat stond voor mijn vriend gelijk aan verraad: wat jazz juist uniek maakt als muziekvorm, is dat het real-time wordt gecreëerd. Die magie wordt vernietigd als er later nog aan de muziek wordt gesleuteld. Dat die magie misschien wel van tevoren is ingestudeerd, ontging hem blijkbaar.

Tegenwoordig is men minder puriteins. Alle muziekvormen die sinds jazz zijn opgekomen, bestaan bij de gratie van manipulatie na de opname. De tijd waarin muzikanten in een studio rondom één microfoon stonden, en in ononderbroken takes hun stukken moesten opnemen ligt ver achter ons. De uitvinding van de bandrecorder speelde daar een belangrijke rol in, en daarna de opkomst van digitale media. Ik denk niet dat er tegenwoordig nog muziek wordt uitgegeven die niet digitaal gecorrigeerd is. Ook alle heruitgaven van oude jazz worden opgepoetst, al is het maar om tikken en krassen weg te werken.

Maar de menselijke factor is nog steeds een essentiële factor in onze waardering van kunstwerken. Als ik naar de experimentele, abstracte films kijk van Stan Brakhage uit de jaren zestig en zeventig, dan begrijp ik hoe moeilijk en arbeidsintensief het moet zijn geweest om deze films te maken. Toch zien de films er daadkrachtig, vlot en moeiteloos uit. Daarom waardeer ik zijn werk. Maar als ik de abstracte screensavers, die programma’s zoals iTunes of Windows Media Player kunnen tonen tijdens het afspelen van mp3’tjes, naast Brakhages films leg, en deze heel eerlijk vergelijk op puur formele gronden, dan zien de screensavers er in sommige gevallen geavanceerder, verfijnder en moeitelozer uit. Dat ik deze abstracte vormen niet beschouw als ‘beter’ of ‘mooier’ of ‘betekenisvoller’ dan de werken van Brakhage, en dat ik ze geen kwaliteiten zoals ‘sprezzatura’ kan toekennen, komt doordat ik besef dat de screensavers het resultaat zijn van onpersoonlijke software, van algoritmes en parameters — terwijl de wetenschap dat de films van Brakhages het directe resultaat zijn van menselijk handelen de schijn van bedoeling en betekenis bij mij opwekt. Een buitenaardse intelligentie zou dit fenomeen denk ik met verbazing gadeslaan.

Hetzelfde geldt voor effecten in Hollywood-films. Nog steeds raakt men onder de indruk van de stop-motion-animatie van Willis O’Brian en Ray Harryhausen, pioniers op het gebied van special effects. Maar een willekeurige hedendaagse B-film tovert overtuigender digitale draken en spoken tevoorschijn dan dit tweetal ooit heeft kunnen dromen. Ook hier meten we met twee maten: er wordt nog steeds met oprechte bewondering gekeken naar O’Briens miniatuur-dinosaurussen in The Lost World (1925)5), maar de levensechte digitale monsters uit Jurassic Park (1993) worden door velen alweer gezien als technisch achterhaald.

De sporen van menselijk handelen zijn dus van grote invloed op hoe wij kunst beschouwen en waarderen. Deze sporen kunnen objectieve beoordeling overtroeven.

We waarderen handschrift zo sterk, dat we het soms zelfs kunstmatig toevoegen aan kunstuitingen die net zo goed volledig geautomatiseerd kunnen worden. Neem de diskjockey. Er is geen enkele functie die een dj tijdens het draaien heeft, die niet door een computer zou kunnen worden overgenomen. Want wat doet hij precies? Ter plekke schept hij niets; hij draait muziek die al opgenomen is. Het enige wat hij toevoegt aan het proces, is dat hij de nummers zo mixt, dat er geen abrupte tempowisseling optreedt. Dit kan een computer ook.

Volgens dance-liefhebbers legt een dj echter wel degelijk persoonlijkheid in zijn werk. Hij legt zijn smaak in de muziekkeus, en hij voelt tijdens het draaien de ‘groove’ van het publiek aan en stemt daarop real-time zijn muziekkeus af. Ik durf te betwisten dat dit enig effect heeft. Ik denk dat het voor een dj heel eenvoudig is om op basis van eerdere ervaringen thuis een mix samen te stellen naar zijn eigen smaak, die avond na avond precies even effectief zou zijn in het opzwepen van het publiek. De dj kan dan lekker aan de bar gaan zitten drinken.

Toch zal dat niet zomaar werken. Het publiek zal desondanks denken dat de muziek die avond slecht is, omdat er geen dj staat die live aan het draaien is, en zogenaamd hun ‘vibe’ oppikt. De aanwezigheid van de dj is een vereiste om de bezoekers te laten geloven dat ze een leuke avond hebben. In ons gedachte-experiment is het voldoende dat de dj achter de draaitafels staat en net doet alsof hij ter plekke aan het mixen is, om het publiek de indruk te geven dat het een mooi feest is. Niemand zal het verschil merken.

En als je denkt dat dat neerkomt op de boel bedonderen, dan heb ik nieuws voor je: dat zal de goegemeente een worst wezen. De ontwikkelingen zijn onstuitbaar. Binnenkort zullen er Pixar-animatiefilms verschijnen die echter zijn dan de werkelijkheid, met heel precies gecalculeerde ‘willekeurige’ foutjes en onregelmatigheden om de beelden natuurlijk te laten lijken.6) Ook muziek zal veranderen: Neil Gershenfeld (professor aan het MIT) was al in 1993, in samenwerking met Yo-Yo Ma, bezig met de ontwikkeling van een computerprogramma dat de geluiden van een Stradivarius-cello op een verfijnde, wiskundige manier vastlegt, zodat een cellopartij niet eens meer op een echt instrument hoeft te worden gespeeld om menselijk te klinken.7) Sprezzatura nastreven wordt overbodig, zodra software geavanceerd genoeg wordt om een virtuoos mens te kunnen vervangen.

Maar het maakt de cultuurliefhebbers weemoedig. Ze zijn nogal gehecht aan hun helden. Ze denken dat muziek betekenisvoller is als de muzikant door zijn vader geslagen is en hij een wagonlading drugs heeft gebruikt. Ze verzinnen dat een dj een extra zintuig heeft die hun emoties op de dansvloer oppikt. Ze fantaseren dat de slordigheden in een schilderij aantonen dat de kunstenaar een hartstochtelijk mens is.

Dat is wishful thinking, sentimenteel geneuzel. Ik denk dat elke componist het geweldig zou vinden als er een apparaat zou bestaan dat zijn stukken precies uitvoert zoals hij het bedoeld heeft, inclusief overtuigende hartstocht en virtuositeit, maar exclusief de onhandigheid van de muzikanten, het ego van de dirigent en de habit van de sopraan.

De enige kritiek op het nastreven van sprezzatura — dat het geoefende nonchalance is, en daarmee een leugen, een pose — wordt steeds minder geldig als een computer delen van het uitvoerende werk van ons gaat overnemen. Elke kunstenaar krijgt dan steeds meer mogelijkheden technische perfectie te bereiken; geautomatiseerde sprezzatura. Dan zal de aandacht meer en meer gevestigd worden op wat hij te zeggen heeft, niet op zijn vingervlugheid of zijn ingestudeerde trucjes. Hoe kan een mens daar nou tegen zijn?

Noten

  1. Uit: Il libro del Cortegiano (1527), Baldassare Castiglione. Vertaling: Charles S. Singleton, The book of the Courtier (1959). Download hier de oorspronkelijke tekst als pdf.
  2. Bekijk Rodins tekeningen in het prachtige Musée Rodin.
  3. Mondriaan stierf in 1944, en liet het schilderij onvoltooid achter. Nog in datzelfde jaar is men begonnen met de conservatie van het werk. Deze klus is anno 2008 nog steeds niet naar tevredenheid geklaard.
  4. Lees hier het hele verhaal van het Jazz at Massey Hall-concert.
  5. Bekijk The Lost World (1925) online.
  6. Met WALL-E zijn ze al een eind gekomen.
  7. When Things Start to Think (1999), Neil Gershenfeld, Owl Books New York, p. 27-44.